Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
Nog is het dag; het heet althans nog dag. Mij dunkt, men
moest zulk licht liever schemering noemen.
Na haar verscheidene malen de hand te hebben gedrukt,
zei hij haar eindelijk, als zijne beste vriendin, vaarwel;
toen gaf hij zijn opgekropt gemoed lucht.
Ik zeg u, mijn vriend, men doet u onrecht aan! Liet men
u nog uwe zaak verdedigen, ik zou er het zwijgen toe doen,
maar ongehoord geoordeeld te worden, dat acht ik voor wie
het recht aan hunne zijde te hebben eene groote onbillijk-
heid, dus ook voor u.
Geen afschrik bare u, wat gij ziet.
Den dood vreest hij, die God vreest, niet.
S t ij 1. I.
*
Opstel over: het vroege voorjaar in 1898.
Verklaar uitvoerig de uitdrukkingen: Hij past op de
kleintjes. Zich iets op den hals halen.
II.
Omschrijf de beteekenis der volgende uitdrukkingen: Een
rijke oogst, eene rijke ervaring, eene rijke kleeding. Op zijne
hoede zijn.
Ter beoordeeling der uitspraak der klinkers
en medeklinkers.
Zonder zorg zaten de zanggenooten zeer gezellig samen en
cijferden juist uit, hoelang de pot het nog zou uithouden,
toen onvoorziens een befaamd en verwaten potsenmaker bin-
nentrad en op onbeschaafden toon en met onbeschaamde
gebaren eene bazelende en opgeschroefde aanspraak hield,
die allen deed schaterlachen, zoodat de zaal ervan dreunde
en daverde.
Sinterklaas, altijd gul en goedgeefschgezind en om zijne
geschenken bij alle kinderen bemind, zendt u zijn knecht,
een flinken vent, met dit kostlijk present, omdat hij u kent
en vindt, dat gi.j wel geen engel, maar evenmin een onheb-
belijke bengel zijt.
Vier fiere rossen draafden in volle vaart langs den stoffigen