Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
II. Opstel.
Be Leeuwerik, hare jongen en de landman.
Het nestjes bouwen der vogels, tijd en plaats — waar en
wanneer de leeuwerik van 't verhaal het deed —de gevolgen
daarvan — zorgen en vrees der moeder — hare waarschuwing
— eerste komst van den landman — opdracht aan zijn zoon
— invloed van 't gehoorde op de jongen — geruststellend
antwoord der moeder — tweede bezoek van den landman —
zijne opmerking en nieuw bevel aan zijn zoon — wat de
jongen nu vertellen — moeders antwoord — derde bezoek
van den landman — zijne opmerkingen en besluit ^— wat
de leeuwerik deed — zedeles.
XVIII. R. K. S. Apeldoorn.
I. Gebruik de volgende woorden elk in twee zinnen,
zoodat in den eenen de eigenlijke en in den anderen de
figuurlijke beteekenis duidelijk uitkomt:
indruk; treffen; bezwaard.
II. Verklaar beknopt de volgende spreekwoorden en licht
ze toe met een voorbeeld:
a. Wie met pek omgaat, wordt er mee hesmet.
b. H Is al geen f/oud, wat er blinkt.
c. Beter één vogel in de hand, dan tien in de lucht.
III. Ontleed redekundig:
1. Het geld dat stom is, maakt recht, dat krom is.
2. Waar het vaarwater dieper wordt, ligt het stevige
schip, dat ons over het wad zal brengen.
IV. Geef den inhoud van het volgende gedichtje met uw
eigen woorden weer:
Lastert domheid u of haat.
Denk: Wie wespen gonzen laat.
Doen ze nog het minste kwaad.
Welk rededeel is Wie ? In welken naamval staat dat
woord en waarom?