Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
3. Gerrit, een ware dierenplager, heeft van een paard een
slag gekregen.
4. Onze hond kent verscheiden kunstjes.
Bezig in zinnen:
verstrooidheid — oogmerk — eigenzinnig — hardhandig —
weerloos — vatten — veredelen — beoogen — ontluiken —
in weerwil van.
Ontleed redekundig, d. i. benoem onderwerp, gezegde, voorwerp,
bepaling.
Zulk eenen indruk hadden de verhalen zijner moeder op den
jongen Napoleon gemaakt, wiens oogen onder het luisteren van
vuur konden schitteren, dat Napoleon, toen hij reeds Keizer
was, daarvan nog menigmaal met genoegen sprak.
Benoem de cursief gedrukte woorden taalkundig.
XVII. R. K. S. Middelburg.
I.
1. Gebruik in iiinke zinnen de woorden:
toewijding, breedsprakig, vergoelijken, opzet, inzet, uitzet.
2. Gebruik in zinnen, in zooveel beteekenissen als ge kent
de woorden:
schatting, drijven, zoo.
3. Maak met elk der volgende werkwoorden 3 zinnen:
vergoden, benijden, bestrijden.
a. een met den len of 3en pers. meerv. van den onvolt.
teg. tijd der aant. wijs;
b. een met den len of 3en pers. meerv. van den onvolt.
verl. tijd der aant. wijs;
c. een met het verleden deelwoord, als bijvoegl. naamw.
gebruikt.
4. Als men zegt:
„Be boog kan niet altijd gespannen zijn", bedoelt men.....
„Gij moet dien man den voet niet dwars zetten,^^ hdieekent.....
„Men hangt iets aan de groote klok," wanneer men.....
Geef van één der drie bovenstaande uitdrukkingen een
voorbeeld.