Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
25
IV. Verklaar uitvoerig de onderstaande uitdrukkingen:
а. Hooge boomen vangen veel wind.
б. Het is niet alles goud, wat er blinkt.
c. Veel geschreeuw en weinig wol.
XIV. R. K. S. Nijmegen.
I.
Juiste spelling, buiging en teekens plaatsen.
Hoe aangenaam is het zich op een . . warm . . zomerdag
te gaan verpo(oo)zen in d . . koel . . schaduw van het woud!
Hoe statig brei(ij)den de eike-(en) en beuke-(en) boomen
hun . . takken uit boven het hoofd van d . . wandelaar,
terwijl de mos(sch)plantjes als een fluwe(ee)l . . tapei(ij)t
het geluid zijner schre(ee)den verdo(oo)ven. Is het woud niet
als een tempel door d . . natuur voltooi . . groots(sch)er
als(dan) de kerken die wij Gode wei(ij)den)? De slanke
stammen die het bladerdak scho(oo)ren zijn als pei(ij)lers,
die het tempelgewelf tors(sch)en en waar wij de oogen laten
wei(ij)den al(ll)om heers(sch)t de vre(ee)dige kalmte, al(ll)om
zweeft ons d . . plechtig . . ernst te gemoe . . die het
gemoe . . van d . . gelo(oo)vig . . vervul . . in het huis des
Heeren. Noch(g) th(t)ans is het niet doods(sch) in het woud
het oog spied(t)(dt) er niet te vergeefs(sch) naar eenig
teeken van leven. De welbereid(ij)(dd)e dis(sch), d . . God
er voor vele(en) zijner schepselen aanricht(tt)e, de tafel welke
Hij er hen(hun) bereid(ij)(dd)e, wachten er niet te vergeefs(sch)
op gasten even talrijk als verschij(ei)den.
Komt laten we ons een oogenblik nedervlei(ij)en aan d ..
voet van ginds(8ch) . . bemos(scht) . . eik waar de bos(sch)
varens hunne breede bladerkro(oo)nen in dichte boss(ssch)en
uitbrei(ij)den en laten we ons verme(ij)en in de veelvuldigen
schake(ee)ringen van het leven in het bosch. Ginds(sch)
ritselt iets tusschen de takken van di . . fors(sch)e . . beuk.
Het is een eekhoorn, die zich met een paar zijner speelgeno-
(oo)ten te goed schijnt te doen aan de jonge no(oo)ten. Na
eens vermaakt hij ons door zijn . . dartel . . speels(sch)heid,
dan weer zit hij vol trots(sch) als een adel(ll)ijk heertje op
een der twei(ij)gen. Maar daar rust(tt) zijn schelms(8ch) oogje