Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
En deze er kaal was afgekomen.
Men schrikt, men schreeuwt, men scheldt, men slaat.
En handig wordt onze overlaat
Gevoelig bij den kraag genomen
En heengesleurd, om door 't gerecht
Gestraft te worden voor hetgeen hij had gezegd.
Nu doet de jonkman lachend hooren.
Dat hij voor 't eerst, als nieuwe knecht,
Den Burgemeester had geschoren.
1. Lees bovenstaande versregels met aandacht en vertel
dan vrij, met eigen woorden, het daarin medegedeelde
voorval.
2. Schrijf achter de volgende woorden en uitdrukkingen
andere, die ongeveer hetzelfde beteekenen :
onverlaat, — kouten, — Burgervader, — kwant, — handig,
gerecht, — met vaste hand het roer houden, — iemand bij den
neus hebben, — iets ondernemen en daar kaal afkomen.
3. Beantwoord de volgende vragen in fiksche zinnen:
Wanneer verdient iemand eene gevoelige straf?
Wanneer is iemand gevoelig voor het gure weer?
Wanneer zegt men, dat iemand gevoelig is voor eene
weldaad ?
Wanneer spreekt iemand gevoelvolle woorden ?
Wien noemt men een ongevoelig mensch?
IIL
1. Gebruik de volgende werkwoorden in fiksche zinnen,
waaruit de beteekenis dier werkwoorden duidelijk blijkt:
aanbrengen, uitbrengen, opbrengen, doorbrengen,
voortbrengen, toebrengen.
2. Schrijf op alle woorden en uitdrukkingen, die gij kent,
waarin het woord hand voorkomt, en plaats de beteekenis
er achter.
3. Omschrijf de volgende uitdrukkingen zóó, dat de be-
teekenis van het bijvoeglijk naamwoord duidelijk uitkomt:
Zachte woorden tot iemand spreken.
Iemand hittere verwijten toevoegen.
IJdele verwachtingen koesteren.
Eene zware straf opleggen.
Een knagend berouw gevoelen.