Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
van ander----te hebben geno(oo)ten. Al bezat hij soms
;een .. be(ee)te broods om zijn .. honger te stillen en al
Dle(ee)ken zijn... ingevall... trekken en zijn... ble(ee)ke
wangen vermager .. door de ontbe(ee)ring, wie hem op straat
te gemoe .. kwam, zag onmiddel(ll)ijk dat tevredenheid in zijn
gemoe .. huisde. Wanneer hij slechts zijn brood moch(g)t
we(ee)ken in een ... nap water alvorens hij zich vermoei. .
van zijne omdo(oo)lingen door straten en ste(ee)gen op
zi.in hard lefee)ger nedervlei(ij)de, schenen alle zorgen uit
zijn hart ge\ve(ee)ken. Dan benijd(dd)e hij d .. rijk ...
noch(g) hunne kostbare diss(sch)en noch(g) hunne schitte-
rende kleino(oo)d (meerv.) en was hij even vroolijk bij zijn
schaars(sch) gerech(g)t en d ... eenvoudige .... dronk, waar-
mede hij zijn .. dorst lesch(s)te als d .. rijkaard bij zijne fijne
vleesch "(meerv.) en zijne bruisch(s)ende wijnen.
Het leven dat hij moest lei(ij)den was hard en zwaar;
nimmer had hij zich kunnen vermei(ij)en en in zonnige dagen
doch het lei(ij)den had zijn hart veredel....; steeds had hij
getracht het kwaad te vermei(ij)den als hij het oog liet
wei(ij)den over d .. lang .. levensweg d .. hij achter zich had
liggen, dan had hij zich geen kwaad te verwei(ij)ten en werd
het hem duidelijk dat niets beter het geluk verzeker.. dan
het bezit van een onbezoedel.. geweten.
11.
Een onverlaat.
Er zat, een poos nog maar geleden,
In een van onze kleine steden,
Bij 't vuurtje van den herbergshaard
Een zoet gezelschap saam vergaard.
Men koutte er vrij; 't mocht vrij ook wezen;
Want ieder sprak met liefde en vuur
Van Willem en van 't stadsbestuur.
De Burgervader werd geprezen,
Die 't roer daar hield met vaste hand.
Maar zie! een onbekende kwant,
Meê in den halven kring gezeten,
Dorst zich beroemen (welk vermeten!)
Dat hij het achtbaar hoofd der stad
Secuur had bij den neus gehad,