Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
103
299. A had 100 sigaren en rookte er 4 per dag; B had
er 120 en rookte er 5 per dag. Na hoeveel dagen hielden ze
er nog evenveel over?
300. Bereken zoo kort mogelijk:
16 X - 20 X 14^7 + 4 X Q&'U - 15 X 14^/7-
301. Bij eene opgaande deeling is de som van deeltal en
deeler 224. Het quotiënt is 15. Wat is het deeltal?
302. Wat gebeurt er met eene breuk, als met den teller
met 2 vermenigvuldigt en den noemer met 3 deelt? Ver-
klaar dat.
Rij ks-Normaallessen 's-Gravenhage.
303. Bereken:
0.504 X (2^/.= + 13'%, + 5'%o + 6.875 -
■ 0308
304. Een jongen deelt een getal door 137. De deeling gaat
op. Daarna deelt hij hetzelfde getal door 131; hij krijgt het-
zelfde quotiënt als eerst, doch er blijft 96 tot rest. Hoe groot
is het deeltal?
305. Een leerling moet een getal door 63 deelen, maar
deelt bij vergissing door 36. Waarmee moet hij het foutieve
quotiënt vermenigvuldigen om het vereischte quotiënt te
verkrijgen ?
306. De som van teller en noemer eener breuk is 623. Telt
men bij den teller 2 op, dan is de nieuwe breuk, na vereen-
voudiging ®/,9. Welke is de oorspronkelijke breuk ?
307. AenB hebben samen f3900 op intrest staan, A f900
meer dan B. Na een jaar ontvangen zij samen f168 aan rente.
Als A '1-, pCt. meer van zijn geld maakt dan B, vraagt men,
tegen welk pCt. ieder zijn geld heeft uitstaan.
308. Een winkelier verkoopt 2 vaten boter, elk van 40 KG.
Het eerste vat verkoopt hij zoo, dat hij op elk KG. 1 HG.
toegeeft. Bij den verkoop van het tweede vat geeft hij 10 pCt.
korting. Het verschil in opbrengst der twee vaten is 48 ct.
Hoeveel bedroeg de verkoopsprijs per KG.?
309. A heeft katoen verkocht met 25 pCt. winst. Daar hij