Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
(Voor de tweede klasse.)
221. Eene kist (zonder deksel) is, buitenwerks gemeten,
lang 1.5 M., breed 12 dM. en hoog 82.5 cM. Als het hout
25 mM. dik is, hoeveel kan men dan in die kist bergen?
222. Iemand verkoopt tarwe a f 7,50 den Hli. en verliest
daardoor op 6 HL. zooveel als 1 HL. hem bij inkoop kost.
Als hij 10 pCt. had willen winnen, voor hoeveel had hij dan
den HL. moeten verkoopen ?
223. Eene breuk verandert niet van waarde, als men den
teller met 2 en den noemer met 3 vermindert. Welke is de
breuk, als de som van teller en noemer 100 is ?
224. De G. G. D. van twee getallen is 27. Als deze in
hunne som 44 en in hun verschil 10-maal is begrepen, be-
reken dan het product der getallen.
225. Hoeveel is:
(0.83 + Vc - 2V, : 3) :
(l'/8 + X 0.2272) : jj^
Voor de derde klasse.
226. Van eenen rechthoekigen balk is de lengte 20-maal
en de breedte 3-maal de dikte. Als de geheele oppervlakte
26.56 dM2 is, hoeveel is dan de lengte ?
227. Iemand deelde in 1880 het aantal zijner jaren op zijn
geboortejaar en kreeg 39 tot quotiënt. Hoe oud is die per-
soon nu?
228. Wanneer men uit den teller eener breuk den factor
3 en uit den noemer den factor 4 weglaat, verkrijgt men eene
breuk, die met de eerste in waarde verschilt. Bepaal de
eerste breuk.
229. A. enB. spelen. Vóór het spel heeft B. 2'/3-maal zoo-
veel geld als B., en n^ het spel heeft B. l^^-maal zooveel
geld als A. over heeft. Welk deel van zijn geld heeft A.
verloren.
230. Hoeveel is:
3A)03 y 7.4 — 13.3 X 1-1 V 25.083 + 33-5