Boekgegevens
Titel: De winteravonden: een leesboek voor de lagere scholen
Auteur: Vegt, J. van der
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8805
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202129
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De winteravonden: een leesboek voor de lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
87
Leg mij dus altoos zachthens néér:
Warit doet gij 't hard, ik zeg slechts tik,
en weg hen ik.
In hutten en paleizen
Bij menschen, die veel reizen,
Ziet gij mij meestal dag en nacht;
Doch ben ik in der kinderen magt.
Dan worden zij geivis bespot,
Men noemt hen zot.
Antwoord.
Eene Goudasche pijp.
»Wat ben ik gelukkig!" riep Reintje de Vos:
»'k Was bijna in ijzer gevangen.
»Ik zag het juist liggen daar ginds in het mos,
»En liet me, begrijp je, niet prangen.
»Ik draaide mij om, en heel vlug nu ter been,
»Verliet ik die plaats en ik lachte met een."
»Maar kom ik eens weder bij 't huis van dien heer,
»Gewis zal dan Reintje hem foppen,
ilk zet me dan achter het hegje ter neêr,
»Waar 't vosje zich best kan verstoppen,
» Het eendjen of kipje , dat dan komt voorbij ,
»Is zonder pardon een goed hapje voor mij."
Boosaardige Reintje ! foei! handel zoo niet,
Doe nimmer uw' naasten moedwillig verdriet.