Boekgegevens
Titel: De winteravonden: een leesboek voor de lagere scholen
Auteur: Vegt, J. van der
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8805
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202129
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De winteravonden: een leesboek voor de lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
49
He, kindertjes! waarom, moest die groote knecht mede;
hij was immers veel te groot, om met kinderen te spelen?
Het schuitje werd in orde gemaakt. In een oogen-
hlik stond de mast overeind en werden de zeilen bijge-
hragt. Met een langen stok toerd de schuit van den tcal
gestooten, en, o vreugde! daar dreef het heen.
Jan, de oudste zoon van oom, zat aan het roer.
Hein stond hij de mast om de zeilen op te halen, en
Dirk stond voorop en keek door zijnen verrekijker. —
De overigen zaten in het ruim. ^ Komt reisgenootjes.'"
zeide de knecht: »onze reis gaat zoo voorspoedig, wij
«moesten eens zingen ''
tJa, dat is goed! dat is goed!" riepen aUen te ge-
lijk, en nu zongen zij lief en zacht:
Wij zijn dra in het. ruime sop
En alles gaat zoo goed.
Kom, Hein! haal jij het zeil in top ,
Wij zeilen met meer spoed.
Wij roepen luid: hoezee! hoezee!
En zwaaijen met den hoed.
Ten teeken. dat wij wel te vreê
En blijde zijn te moed.
Wij zetten koers op gindsche stad.
Waar gij dien toren ziet,
Hoe 't water ons om de ooren spat,
Wij geven daarom niet.
Het zeil maar hooger opgehaald,
Gestuurd met vaste hand.
Eer 't zonlicht dan in 't roesten daalt
Zijn wij er aangeland.