Boekgegevens
Titel: De winteravonden: een leesboek voor de lagere scholen
Auteur: Vegt, J. van der
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8805
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202129
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De winteravonden: een leesboek voor de lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
nende ziekte, en eer een half jaar verloopen was,
volgde zij ook haren man in het graf.
Nu waren Willem en Adolf en zijne nog jongere
zusjes weezen. Waren zij bedroefd over den dood van
hunnen vader, niet minder, waren zij het over het ver-
lies hunner lieve moeder, hunne eenige steun en troost,
die zij op aarde nog bezaten. — De diakonie nam nu
de kinderen tot zich, en besteedde ze bij dezen en
genen landman.
De landman, bij wien Willem en Adolf woonden,
had veel kinderen, en onder deze twee zonen, Joost
en Geert genaamd, die zeer onverdraagzaam en trotech
waren. De weezen werden door hen met minachting
behandeld, moesten dikwijls harde woorden van hen
hooren, ja, kregen somtijds slagen bovendien. Zij be-
klaagden zich hierover wel bij den vader; maar deze
hoorde naauwelijks naar hen, hoewel hij beloofde er
een einde aan te zullen maken. De kwade zonen wer-
den nu nog boozer, omdat Willem, zoo als zij zeiden,
telkens alles aan hunnen vader verklikte, en van dien
tijd af noemden zij hem niet Willem, maar klikker. —
De kleine Adolf was er echter het slimste aan toe ;
deze konde zich niet zoo goed als zijn broeder Willem
in zijn lot schikken. Ach! hij was ook nog zoo klein!
Hij zag er bleek en vermagerd uit; men konde duide-
lijk zien, dat hij verdriet had. Zoodra hij dan ook
met Willem alleen was, klaagde en weende hij aan-
houdend , en zeide : » Ach , lieve Willem ! ik wenschte
»dat ik maar bij vader en moeder ware." — De tra-
nen sprongen Willem op het hooren dezer woorden uit
de oogen, en hij poogde zijnen broeder zoo veel mo-
gelijk op te beuren. »Foei, lieve Adolf!" sprak hij: