Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
90
132. Een werk kan door 3 man in 12'2/ig dag afgemaakt
worden. C werkt eerst 20 dagen en daarna doen A en B de
rost samen in 10 dagen. In hoeveel dagen zou C het alleen
kunnen doen ?
133. A en B drijven samen handel. A legt 5000 in en B
6 maanden later f 4Ó00. Als ze nu in 't geheel f 507.50 of 14
pct. 's jaars winnen, hoelang heeft dan ieders geld uitgestaan ?
134. A betaalt aan zijn kostbaas f876 vooruit. Hij zal daar-
voor een jaar kost en inwoning genieten. Hij is echter van
plan langer te blijven en betaalt daarom dagelijks van den
eersten dag af er nog f0.80 bij. Hoeveel kan hij nu langer dan
een jaar blijven ?
135. Van een meetk. evenredigheid staat de tweede term
tot den derden als 5 : 3. Het product der termen van de eerste
reden is in het prod. der termen van de tweede reden 9 maal
begrepen, en het verschil der uiterste termen bedraagt 56.
Welke is die evenredigheid ?
X.VTIII. Xooid-llollaiiil. (IV2 uur.)
136. Iemand koopt 65 HL. aardappelen. Na 4 maanden
verkoopt hij hiervan een gedeelte met eene winst van 75 pct.
'sjaars, en ontvangt daarvoor den geheelen inkoopsprijs terug.
Hoeveel HL. hield hij nog over?
137. A en B kunnen samen een werk afmaken in 2®/,, dag;
B en C in S^jj dag en A en C in S'/is dag. Als zij gezamenlijk
het werk afmaken, en in 't geheel f59 verdienen, hoeveel komt
ieder dan daarvan toe?
138. Een koopman handelt met 3 kapitalen, samen groot
f20000. Met het eerste wint hij 10 pct., met het tweede, dat het
derde deel van de som der beide andere is, verliest hij 8 pct.
en met het derde is het verlies 6 pct. Indien hij in 't geheel
l'/j pct. wint, hoe groot is dan elk kapitaal?
139. Een leerling moest twee tiendeelige breuken, waarvan
de eene 4 — de andere 2 cijfers achter het decimaalpunt
heeft, met elkander vermenigvuldigen, doch plaatste in het
product slechts 4 cijfers achter het decimaalpunt, waardoor
zijn product 6550,268868 met het ware verschilde. Wat is het
ware product?
140. Er wordt eene gracht gegraven, van boven 3,6 DM.
— op den bodem 2,8 DM. breed. 150 dM. diep en 2,5 HM.