Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
1895. (October.)
XXVI. Zeeland, (l'/j uur.)
126. Een bakje, dat den vorm heeft van een rechthoekig
parallelopipedum, is, van binnen gemeten, lang 16 cM. en
breed 9.9 cM. Het is gedeeltelijk met water gevuld. Men laat
hierin een cylindervormig stuk ijzer zinken, waarvan de hoogte
12 cM. en de middellijn van het grondvlak 8,4 cM. bedraagt.
Hoeveel zal daardoor de vloeistof in het bakje stijgen ?
= 1-0
127. A en B kunnen samen een werk afmaken in 6% dag.
Werken A en B. 5 dagen, dan doet C de rest in 4 dagen. Als
B alleen eerst 5 dagen werkt, verrichten A en C het overige
in 4*1-; dag. In hoeveel dagen kan ieder afzonderlijk het werk
afmaken ?
128. Het verschil van twee getallen is op het product 37'/2
maal begrepen. Als het kleinste getal 3% maal op de som is
begrepen, vraagt men naar die getallen.
129. Het aantal knikkers van A is \ van dat van B. Eerst
wint B zooveel van A, dat zijne knikkers met het derde deel
vermeerderd zijn. Daarna wint A van B er 40 en nu staan
hunne aantallen knikkers tot elkander als 3:4. Hoeveel knik-
kers had ieder vóór het spel?
130. De kapitalen van A en B staan tot elkaar als 2 tot 3.
Toen A 10 pet. en B. f600 gewonnen had, stonden hunne
kapitalen als 11 tot 18. Hoe groot waren de kapitalen eerst?
XXVII. Ilrenfe.
131. A en B hebben samen f 36. Voegt men bij het geld
van A nog f 2.2.5 van B, dan heeft deze maal zooveel als
A. Hoeveel had ieder?