Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
85
98. Iemand verkoopt 1000 KG. koffie met 10 pet. winst
en later 1500 KG. voor l^/g maal zooveel geld, als hij den
eersten keer ontving. Hoeveel pet. wint hij op de tweede
partij ?
99. Iemand koopt een partij koopwaren voor f 720. Nadat
bet ^/jo geheel waardeloos is geworden, verkoopt hij de rest
tegen 80 cent per KG. en wint f 96. Hoe groot was de partij ?
100. Een breuk heeft de waarde "'/ig; vermeerdert men den
teller met 5 en vermindert men den noemer met 1, dan krijgt
zij de waarde '/g- Welke is die breuk?
XXI. Kcclaiifl. (l»/j uur.)
101. De tijden, die A en B voor zeker werk noodig hebben,
verhouden zich als 4:5. Werkt A IS'/^ dag alleen, dan kunnen
ze samen de rest in 6 dagen verrichten. Hoeveel dagen heeft
ieder voor het geheele werk noodig?
102. Men vermindert den noemer eener onvereenvoudig-
bare breuk met den teller en verkrijgt daardoor een breuk
die l'/a maal zoo groot is als de oorspronkelijke. Welke is
die breuk?
103. Als men de termen eener meetkundige evenredigheid
met eenzelfde getal vermindert, verkrijgt men de getallen 18,
29, 10 en 17. Welke was die evenredigheid?
104. In een gemeenschappelijken handel winnen A, B en C
5 pet. De inleg van A verhoudt zich tot dien van B als 3:4,
terwijl B f400 minder bijdraagt dan C. Ware aan A de geheele
winst afgestaan, dan zou hij 20 pet. van zijn geld gemaakt
hebben. Wat was ieders inleg?
105. Van een rechthoekig trapezium is de langste even-
wijdige zijde 7 dM., de kortste 4 dM. en de schuine zijde
5 dM. Als dit trapezium gewenteld wordt om de langste
evenwijdige zijde, wat is dan de oppervlakte en wat de inhoud
van het lichaam door die omwendeling ontstaan? (tt = ^2/7).
XXII. Keldci-laiul. (2 uur.)
106. Iemand koopt 2 partijen aardappelen voor f3 en voor
f 2,75 den HL. samen voor f 1475. Beide hoeveelheden ver-
koopt hij voor f 3.10 den HL. en wint op de eerste partij f5
meer dan op de tweede. Hoe groot was elke partij?