Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
84
XIX. ïrieslaiul.
91. A en B reizen elkaar te gemoet. Na 8 dagen op reis
geweest te zijn, ontmoeten zij elkander. Toen had A 20 KM.
meer afgelegd dan B; 10^, dag na de ontmoeting komt B op
op de plaats, vanwaar A is vertrokken. Hoeveel dagen vroe-
ger was A gekomen op de plaats, waar B was afgereisd en
wat is de afstand der plaatsen?
92. Een bak met melk weegt 2.869 KG.; vol water weegt
hij 2.8 KG. Het soortelijk gewicht van melk is 1.03. Hoe
groot is de inhoud van den bak en hoe groot is het gewicht
van den bak?
93. A had f 1500 meer dan B. A won 16 pct. en B ver-
loor 3'/» pct., waarna A 1.6 maal zooveel had als B. Hoeveel
had ieder eerst?
94. Als men den eersten term eener evenredigheid met 4,
den tweeden met 7 vermenigvuldigt, den derden onveranderd
laat en den vierden met 18 vermeerdert,, ontstaat eene
nieuwe evenredigheid. Bereken den vierden term der eerste
evenredigheid.
95. Een landman bepoot een stuk land met 127 boompjes,
die 2'/2 M. van den kant staan en onderling 5 M. van elkaar
staan. Als 't land 20.5 DM. lang is, hoe breed is het dan?
XX, nicnte.
Bereken:
X (0.14285,7 - 0.076923) :
0.9
lÖ.r
-I- 0.015 : 2
2-V,
168 •■'/4
97. A, B en C kunnen een werk verrichten in 4®/, 3 dag.
A werkt eerst alleen 1 dag. B daarna 2 dagen en C vervol-
gens 3 dagen. Indien de kracht van B tot die van C staat
als 4 : 8 en C het nog overschietende werk kan voltooien in
12'13 dag, in hoeveel dagen kan dan iedere werkman afzon-
derlijk het geheele werk verrichten?