Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
82. De noemer eener breuk bedraagt 17. Telt men bij teller
en noemer ieder 3 op, dan wordt hare waarde l^^/ieo maal zoo
groot, welke is die breuk ?
83. Als het geld van Z gedurende 5 jaar op interest staat,
bedraagt de som van kapitaal en enkelvoudigen intrest juist
f 5000. Stond het één jaar korter tegen 1 pet. hooger uit, dan
zou die som f 4960 bedragen. Hoeveel geld bezit Z ?
84. van een rechthoekig trapezium is de kortste evenwijdige
zijde gelijk aan de hoogte en de verhouding tusschen de even-
wijdige zijden als 3 : 7. Wanneer de oppervlakte 333/^ cM.2
bedraagt, hoe groot is dan het kwadraat op de schuine zijde
van dit trapezium ?
85. Van de evenredigheid a •. h = c : fi is de verhouding
tusschen a en ö = 4 : 7 en die tusschen & en rf = 5 : 3.
^Yanneer de som der 4 termen 176 bedraagt, welke is dan
die evenredigheid?
XVIII. Overijsel. (IV2 uur)
86. A, B en C handelen samen met f 7000. A en B leggen
samen f 1000 meer in dan C, en deze legt f 600 meer in dan
B. Hoeveel legt ieder in ?
87. Teller en noemer eener echte breuk verschillen 3. Ver-
meerdert men den teller met 35, en vermenigvuldigt men den
noemer met 2, dan wordt de waarde der breuk 4 maal zoo
groot.
Welke is die breuk?
88. Twee kapitalen verschillen f 2000. Het grootste staat
uit tegen 5 pet. en het kleinste tegen 4 pet. Als het kleinste
per jaar zooveel guldens opbrengt als ze samen rijksdaalders
geven, vraagt men de grootte der kapitalen.
89. Iemand verkoopt van een stuk laken deel voor even-
veel, als hem ^/g deel bij inkoop kostte. Hij geeft 4 pet. korting
en wint 40 cent per M. Hoeveel kostte de M bij inkoop?
90. A en B gaan elkaar tegemoet uit P en Q. A vertrekt
één uur voor B en legt 4V2 KM per uur af; B doet 5 KM
per uur. Bij de ontmoeting heeft B 2 KM meer afgelegd dan
A. Jlen vraagt den afstand van P tot Q.