Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
1895. (April.)
XVI. Xoord-Holland. (I1/2 uur.)
76. Als men een stuk linnen verkoopt voor f 0.35 den M.,
verliest men zooveel als 3 M. bij inkoop kosten; verkoopt
men den ÄI. voor fO.42, dan wordt er 12 pct. gewonnen. Hoe
lang is het stuk?
77. Iemand koopt voor f 120 thee. Hij verkoopt de HG.
voor f 0.86, maar weegt 2^/2 pct. in en wint nu nog 17 pct.
Hoeveel KG. was de partij groot ?
78. Vermeerdert men teller en noemer eener breuk met 7,
dan wordt hare waarde = ®/,2; vermindert men beide met 7,
dan wordt die waarde = "/jg. Welke breuk?
79. A handelt met 3 kapitalen. Met het Ie verliest hij 6
pet, met het 2e en 8e wint hij respectievelijk 8 pct. en li'/^
pct. Zijne gemiddelde winst is nu 6'/2 pct. De beide eerste
kapitalen verhouden zich als 3:5 en hunne som is f 2400
meer dan het 3e. Hoe groot was elk kapitaal ?
<Sü. Een bak, binnenwerks lang 12,5 dM., is geheel met
water gevuld. In dien bak ontstaat een lek, waardoor er 180 L.
wegvloeit. Was dit lek 2.25 dM. lager ontstaan, dan' zou er
4.5 HL. water zijn weggevloeid en er nog 57 DL. in den bak
zijn overgebleven. Hoe breed en diep was die bak binnen-
werks ?
XVII. «ronlngcn. (IV2 uur.)
81. Het aantal guldens, dat A bezat, verhield zich tot het
aantal rijksdaalders dat hij rijk was, als 8 : L Nadat liij 4
guldens en één rijksdaalder'had uitgegeven, was die verhouding
als 10 : 1. Hoeveel geldstukken bezat hij van elke soort?