Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
49. Van eene evenredigheid is het verschil van de termen
der eerste reden 7';.,; dat van de termen der tweede reden 10
en de som van alle termen 80')j. Welke is die evenredigheid?
50. Van een rechthoekig trapezium met een hoek van 135°
is de hoogte 7 cM. en de kleinste evenwijdige zijde 8 cM.
Men laat dat trapezium wentelen om de langste evenwijdige
zijde. Hoeveel is de inhoud van het aldus ontstaande lichaam ?
(Verhouding van omtr: middel). = 22/,.)
XI. r^elclerlaiKl. (2 uur.)
51. Aan zeker werk arbeidt A eerst 10 dagen, daarna B
17 72 ^läg over ',3 deel der rest. Nu voltooien zij het samen in
20 dagen. Welk deel komt ieder van het verdiende loon toe?
52. Twee werken, die in denzelfden tijd gereed moeten zijn,
verhouden zich als 2 : 5. Aan het kleinste werkt men dage-
lijks 8, aan 't grootste 10 uren. Zij, die aan het kleinste werken,
moeten aan het andere gedurende 2 uren daags meehelpen.
Hoe moeten nu de 42 arbeiders verdeeld worden?
53. T;08 uit de volgende evenredigheid x op, zonder de
hoofdeigenschap te gebruiken en vermeld de toegepaste eigen-
schappen.
A + X : M + X = + X ■. IQd + X.
54. Breng de volgende deelingen in vraagstukken te pas,
en los die zóó op, dat de regel der deeling daardoor verklaard
wordt:
ƒ : ƒ 2/3 en ƒ :
'fis
55.
'pf^ - X - 1-51X 2.2) - 6 X C/s - '/3 X ■■ O.Oll?.
Bereken de waarde van dezen vorm.
.\'II. (.iroiiiiigoii. (l'.j uur.)
56. Trekt men van den teller van zekere breuk 2 af en
deelt men den noemer door 5, dan wordt de waarde der breuk
4',,; maal zoo groot. Vermenigvuldigt men den noemer met