Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
IV. Kiiid-llollaiiil. (2 uur.)
16. Als ik van een partij koopwaar de helft verkoop af 3,
een derde deel a f 3.2ö en de rest a f 3.50 het K.G., win ik
55/g pet., dat is f 50. Hoe groot was dé partij ?
17. A geeft '/? van zijn geld aan B, waarna zij evenveel
hebben. Geeft B van zijn geld f 60 aan A, dan heeft deze
driemaal zooveel geld als B. Hoeveel had ieder?
18. Twee getallen verhouden zich als 15: 19. Tel ik bij
het eerste 100 en vermindert men 100 met het tweede, dan
is de som 136 grooter dan het verschil. Welke zijn die ge-
tallen ?
19. Als ik mijne waren verkoop a 90 ct. 't KG. met 20
pet. tarra, verlies ik 4 pet. Hoeveel tarra moet ik geven om
het KG. tegen denzelfden prijs te vèrkoopen, en 8 pet. te
winnen?
20. Wanneer men een getal door 8 deelt, verkrijgt men
tot rest 7. Deelt men het getal door 9, dan zijn het quotiënt
en de rest 2 minder dan bij de eerste deeling. Welke is dan
't getal ?
V. OveriJ^icl.
21. Van een echte breuk verschillen teller en noemer 89.
Telt men 11 bij den teller en deelt men den noemer door 4,
dan krijgt de breuk de waarde Welke breuk is het?
22. Welke is de waarde van x in de evenredigheid
{X - 21) : (x — 18) = (x - 13) : (x — 4).
De hoofdeigenschap raag niet toegepast worden.
23. A heeft 4 en B 3 H.\. weideland. A heeft 6, B 5 en
C 3 koeien. Zij komen overeen, dat hunne koeien gezamenlijk
het land zullen afgrazen. Als C nu f 150 weidegeld betaalt,
hoeveel komt B daarvan toe ?
24. Iemand kocht 25 Oct. 9 stuks, N.W. S, a f 1000
en betaalde in 't geheel f 8081.25. Tegen welken koers heeft
hij die effecten gekocht?
Vervaldagen 1 Jan. en 1 Juli. Provisie '/g pet.