Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
72
7. Een manufacturier koopt laken, deels naar f5, deels naar
f 5.40 den meter, samen voor f 463. Hij verkoopt alles naar
f 5.75 den meter en wint zoo op de tweede partij f 15 meer
dan op de eerste.
Hoeveel M. kocht hij naar f 5 den meter?
8. Uit P gaat een voetganger naar Q met een snelheid van
41/2 K.M. per uur, en ','2 uur later uit Q een ruiter, die 7 K.M.
per uur aflegt. Bij de ontmoeting heeft de ruiter l^/j maal
zooveel van den weg afgelegd als de voetganger. Hoeveel K.M.
is de afstand van beide plaatsen?
9. A heeft 30 guldens, B heeft er 60. A geeft een zeker
aantal guldens uit, B vijfmaal zooveel, waarna de resten zich
verhouden als 3 : 5. Hoeveel heeft A uitgegeven ?
10. Uit een rechten 'cirkelvormigen cvlinder, waarvan de
middellijn en de hoogte beide 35 cM. bedragen, heeft men den
grootst mogelijken bol gesneden. Bereken den inhoud en de
oppervlakte van dien bol. Hoeveel was de cvlinder grooter dan
de bol? TT = 22;^.
III. rirefh«. (l'/ï uur.)
11. A verkoopt garst. haver en rogge, samen 79 H.L. a
f 4.50, f 3.60 en f 7.— den H.L. voor f 425. Als hij voor de
garst l'/o zooveel ontvangt als voor de haver, hoe groot was
dan elke partij ?
12. Een rechthoekige balk, lang 5,8 M., breed 35 cM. heeft
7.75 M^ oppervlakte en weegt 487,2 K.G. Wat is het soorte-
lijk gewicht van dat hout?
13. De rand eener vierkante tafel is 0.75 d.M. breed en
36.75 d.M.groot. Hoeveel oppervlakte heeft die tafel?
14. A, B, C en D moeten f 1716 zóó verdeelen, dat hunne
aandeelen in die volgorde genomen eene meetkundige even-
redigheid vormen. A en B krijgen samen f 936 en B en C
samen f 840. Hoeveel krijgt ieder?
15. Drie werklieden A, B en C, wier krachten tot elkander
staan als 4 : 5 : 6, kunnen een werk doen in 12'/j dag. Hoe-
veel dagen zouden A en B er samen langer over doen dan
B en C?