Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
TWEEDE AFDEEL ING.
Rekenen.
1894. (April.)
I. Xooi-il-llolland.
1. De winst van eenen handel wordt onder 3 personen
zoodanig verdeeld, dat B 20 pet. meer krijgt dan A, en C
weder 20 pot. meer dan B. Indien A f 472.50 meer ontvangt
dan der aandeelen van B en C samen, hoeveel ontvangt
dan elk?
2. Iemand heeft rijksd., guldens en kwartjes, samen 2097
stuks. De waarde der rijksd. is maal die der guldens,
maar de kwartjes hebben f 60 minder waarde dan de guldens.
Hoeveel stukken zijn er van elk?
'■>. A en B gaan gelijktijdig uit twee plaatsen P en Q en
ontmoeten elkaar na 6'/2 uur. Was A uur vóór B opreis
gegaan, dan zouden ze elkander 7V2 uur na A's vertrek ont-
moet hebben. Indien de weg 81'/é K.M. lang is, vraagt men
in hoeveel uur ieder den weg kan afleggen.
4. De som van twee breuken is '^/gj. Deelt men den teller
der eerste breuk door 3, en vermenigvuldigt men den noemer
der tweede breuk met 3, dan wordt het verschil ','48 minder
dan het eerst was. Welke breuken zijn dat?
5. Een massief houten cylinder past juist in een ijzeren
ring. De straal en de hoogte van den cylinder zijn respectieve-
lijk 8.4 cM., en 2.4 dM., terwijl de dikte van het ijzer 0.7 cM.
is. Hoe zwaar weegt die ijzeren ring? (tt = g.g. jjzer = 7.5.)
II. Fric^laiifl. (l^/., uur.)
6. Hoeveel getallen tussclien 10.000 en 20.000 zijn deelbaar
doo>: 14, maar niet door 21?