Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
61
IV. Gebruik de volgende uitdrukkingen en woorden in
flinke zinnen: uit eigen hoofde; met dien verstande; voorshands
en tvijders.
A a r d r ij k s k u n d e. (1 uur.)
Maak een opstel over één der volgende onderwerpen:
1. Zuid-Holland buiten de eilanden.
(Grenzen, verdeeling, verticale vorm, wateren, droogmake-
rijen, grondsgesteldheid, gebruik van den bodem, middelen
van bestaan der bewoners, beknopte plaatsbeschrijving.)
2. De verticale plantengordels van Java.
3. De Rijn als verkeersweg.
Opvoedkunde. (IV4 uur).
1. Schets een verhaal voor uw leerlingen tot illustratie van
het spreekwoord: Men moet het ijzer smeden, als het heet is.
2. Ontwerp voor kinderen der aanvangsklasse een aanschou-
wingsles over een der volgende onderwerpen: een appel, een
lepel, een vork.
3. Een rijke oogst hangt niet alleen af van de keuze van
goed zaad, maar ook van de goede toebereiding van den
akker, die het zaad opnemen zal. Bewijs door voorbeelden, dat
die waarheid ook voor het onderwijs van belang is.
XL,V. Zeeland.
Nederlandsche taal. (2'/2 uur.)
I. Maak een opstel over één der volgende onderwerpen:
a. De Zondag.
h. Dierenbescherming.
c. Het water holt een harden steen,
En dat wel door den drop alleen.
II. a. Plaats in onderstaand versje de leesteekens, ontbind
het in enkelvoudige zinnen en benoem die.
b. Geef de taalkundige benoeming der cursief gedrukte
woorden.
Gij vinkje, dat zoo vroolijk zingt,
Terwijl gij op de takjes springt,
Die aan de linde wiegen,
O, zoo ik voor een uur of wat,
Als gij zoo vlugge vlerkjes had.
Waar, meent ge, zou ik vliegen?