Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
49
1. Breng het cursieve in regel 3 over in den bedrijvenden
vorm.
2. Wat beteekenen : wet (reg. 5), sikkels (reg. 5), zilvren hoog
(reg. 6), rij van Tcrijgers (reg. 7) ?
3. Tusschen welke twee begrippen drukt het voorzetsel met
(reg. 9) hier de betrekking uit?
4. In welken naamval staat 't (reg. 10) en wat wordt er
door aangeduid ?
5. Is dalwaarts (reg. 11) een afleiding of een samenstelling;
waarom ?
6. In welken naamval staat maagd (reg. 11); waarom ?
7. Noem eenige synoniemen van nijver (reg. 13) ?
8. Wat voor woord is tot (reg- 15) ; waarom ?
Zeg den inhoud van reg. 14 en 15 zoo kort mogelijk.
9. Wat beteekent hullen (reg. 15) ? Noem eenige afleidingen
en samenstellingen, waarin het voorkomt.
10. Welke is de kracht van 't achtervoegsel er in krijger
(regel 7)? Hoe komt het als achtervoegsel anders voor? —
Wat voor uitgang is er in langzamerhand ? Hoe komt het
als uitgang anders voor?
11. Ontleed de vier laatste regels in zinnen en benoem die.
12. Geef het geheel in eenvoudige proza weer.
Opvoedkunde. (1 uur.)
Naar keuze:
1. „Zorg voor de zelfwerkzaamheid van het kind", wordt
er gezegd. Wat bedoelt men dan met „zelfwerkzaamheid"?
Waarom is ze noodzakelijk? Toon aan, hoe ge haar bij uw
onderwijs zoudt bevorderen?
2. „Men moet het straffen voorkomen". Wat dunkt U
daarvan? Als ge er mee instemt, hoe zoudt ge dan handelen,
om het doel te bereiken?
3. „Al wat ge onderwijst, moet zich aansluiten bij wat het
kind reeds weet".
Toon aan, dat dit noodig is, en laat in voorbeelden zien, hoe
die regel in de practijk is in acht te nemen.
A a r d r ij k s k u n d e. (1 uur.)
Naar keuze:
1. Geef eene korte en zaakrijke aardrijkskundige beschrij-
ving van het gemengde diluvium ten westen van den LIsel.
Ex.imenopf^aven. 4