Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
2. Celebes en de Molukken.
3. De Donau.
XXXVII. Oveiii<$el.
Nederlandsche taal. (^j uur.)
1. Breng één der volgende figuurlijke uitdrukkingen in een
zin en verklaar de beteekenis:
alle zeilen bijzetten,
in zijn element zijn,
dat is een kolfje naar zijn hand,
heel wat in zijn mars hebben.
2. Maak een schetsje, waarop één der onderstaande spreek-
woorden van toepassing is:
Als er één schaap over de brug is, volgen er meer.
In 'tland der blinden is éénoog koning.
Hooge boomen vangen veel wind.
Nederlandsche taal. (13/4 uur.)
(De spelling van De Vries en Te Winkel, te volgen.)
op de rots.
1. Reusachtig teekent op 't blauw der lucht
2. Zich de omtrek af des landmans.... forsch gebouwd,
3. Die 'tzaad, door hem der rotsige aard betrouwd,
4. Nu ziet gerijpt tot halmen, zwaar van vrucht;
5. Hij ivel de sikkels, die in 't zonnelicht
6. Weerkaatsen, als de zilvren boog der maan,
7. En (als een rij van krijgers valt het graan
8. Voor 't snijdend zwaaien van de scherpe zicht.
9. En langs het bergpad — met een kostbren last
10. Van schooven, die 'top hoofd en schouders draagt,
11. Ziet gij 't jongvolkje — en dalwaarts, vrouw of maagd,
12. Die 't koren op de breede wagens tast. (1)
13. Als nijvre mieren weemlen zij dooreen
14. Van d' eersten straal, die de Oosterkim verguldt,
15. Tot zich het dal in blanken sluier hult,
16. Wen de avondzon den hoogsten top bescheen.
Enz.....
J. P. HEYE.