Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
2. De vermenigvuldiging bij de behandeling der getallen
beneden 1000. (Het cijferen buiten bespreking laten).
Aardrijkskunde.
Maak een opstel over een der volgende onderwerpen:
1. De Zuiderzee (ligging, vorm, onderdeden, plaatsen en
beschrijving der kusten).
2. De kusten van Frankrijk.
3. De Nederlandsche bezittingen in Amerika.
XXVIII. Zeeland.
Nederlandsche taal. (21/2 uur.)
I. Maak een opstel over één der volgende onderwerpen:
Een feestdag voor de schoolkinderen.
Een marktdag.
Maart.
II. Ontbind onderstaand versje in enkelvoudige zinnen en
benoem die.
Vermeld van eiken bijzin, waarbij hij behoort, of waarvan
hij eene bepaling is.
Ontleed de cursief gedrukte woorden taalkundig.
Op Melis.
Als 'top een vechten gaat, tijgt Melis aan het loopen,
Hij vreest, hij mocht het met zijn besten hals bekoopen.
En als hem iemand vraagt: Hoe kwaamt gij zoo te vlien?
Zoo haat ik ze, zeit hij,. ik ee niet mag zien.
Van Paffenrode.
III. Gebruik één der onderstaande uitdrukkingen of woor-
den in een' goeden volzin, zoodat de beteekenis duidelijk
uitkomt, en leid daarna de figuurlijke beteekenis uit de eigen-
lijke af.
a. Door den zuren appel bijten. 6. De deur openzetten voor
iets. c. Onbehouwen, d. Netelig.
IV. Kies één tweetal uit de onderstaande; gebruik elk der
beide woorden in een' zin, zoodat de beteekenis duidelijk
blijkt, en wijs daarna het verschil in de beteekenis dier
woorden aan.