Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
X. ^Toord-llollanfl.
' Opstellen.
1. De aardappelen. 2. De haring. 3. De olifant. 4. De
ramp van Leiden. 5. Albrecht Beiling. 6. De tocht naar
Chattam. 7. Doof of blind. 8. Alle begin is moeilijk. 9. Onze
tuin.
Gebruik vijf van de volgende woorden en uitdrukkingen
in goede zinnen.
1. Fiolen laten zorgen. 2. Gods water over Gods akker
laten loopen. 3. Het zeil te hoog in top halen. 4. Iemand
naar zijne geloofsbrieven vragen. 5. Het bosch niet zien van
al de boomen. 6. Een oude boom wil niet verplant zijn.
7. Iemand het water aan de lippen laten komen. 8. Ter
voldoening aan. 9. Eensluidend.
Behandel één van de volgende onderwerpen.
1. Het gebruik van de hulpwerkwoorden hébben en zijn. 2. De
tegenstellende zinsverbinding. 3. De achtervoegsels, welke
abstracte substantieven vormen.
Aardr ij ks kunde.
1. De Geldersche I.Isel en zijne oevers.
2. Vergelijking tusschen de Middellandsche en Oostzee,
vooral met betrekking tot beider ligging, zoutgehalte en
stroomingen.
3. Suriname.
Opvoeding en Onder w ij s.
Behandel een der volgende onderwerpen:
1. Geef een schets van een les, waarbij ge u ten doel
stelt, de leerlingen te brengen tot den regel, dat de a op het
eind eener lettergreep niet verdubbeld wordt.
2. Wat verstaat ge onder toepassing van H geleerde ? Waarom
acht ge haar noodzakelijk? Geef één of meer voorbeelden, om
aan te toonen, hoe ge 't geleerde kunt toepassen.
3. Wat behoort de. onderwijzer te doen, om den zin voor
netheid bij zijn leerlingen te ontwikkelen?