Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
2. Verander een willekeurigen driehoek in een kwadraat
van dezelfde oppervlakte.
3. Een vat kan door een kraan gevuld worden in 3 uur,
door een andere in 24 uur, terwijl het door een derde kan
leegloopen in 18 uur. Als men op het oogenhlik, dat het
vat leeg is, die kranen beurtelings met de eerste te beginnen,
één uur openzet, na hoeveel tijd zal het vat dan gevuld zijn?
4. A werkt 5 dagen min 5 uren, B 8 dagen min 4 uren
en C 6 dagen min 2 uren. Het daggeld van A is f 1,20, dat
van B f 1,50 en dat van C f 2. A en B verdienen samen f 5,20
meer dan C; hoeveel uren wordt er per dag gewerkt, als dit
aantal uren voor alle drie gelyk is?
5. Van een evenredigheid is het produet van den eersten
en den derden term = 180, dat van den tweeden en vierden
= 500 en het quotiënt van den eersten en vierden term = i-
Welke is die evenredigheid?
Onderwijs en Opvoeding. (1 uur).
Keuze uit:
1. By den mededeelenden of monologischen leervorm moet
de leerling actief, niet passief zijn.
Waarin bestaat de werkzaamheid van den leerling en door
welke middelen kan de onderwijzer deze bevorderen?
2. Welke waarde heeft het rekenen uit het hoofd voor
't leveu en ook voor 't onderwijs?
Op welke wijze kan de onderwijzer het in de verschillende
klassen tot zijn recht doen komen?
A a r d r ij k s k u n d e. Opstel, (f uur).
Keuze uit:
1. De Betuwe.
Grootte, vorm, grenzen, ligging, hoog en laag, besproeiing,
aard van den bodem, gebruik van den bodem, middelen van
bestaan, bevolking, verkeerwegen, plaatsbeschrijving.
2. Sumatra.
Grootte, vorm, kusten, ligging, klimaat, hoog en laag,
besproeiing, bodem, voortbrengselen, bevolking, plaatsbe-
schrijving.
Kaartje van Groningen.