Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
8. In d e n g e e s t (r. 9): Beteekent dit hetzelfde als in
gedachten? Zoo neen, wat is dan het onderscheid?
9. Waarom worden tranen een kostelijke schat genoemd
(r. 13)?
10. Waarom spelt men moogt (r. 16) met g en mocht
met ch?
Er zal zeer nauwkeurig gelet worden op den vorm, waarin
gij uw gedachten kleedt.
Nederlandsch (| uur).
Een uurfije lust, een dagje last,
Is 't mengsel, dat het best ons past;
'k Vrees, wie het anders hebben wou.
Dat hij zijn lust aan Lust
Welhaast verliezen zou!
Wat ons bekoort en streelt en boeit
Hoeft niet veracht, hoeft niet verfoeid!
Och neen! Geniet het dankbaar — blij;
Maar zóó, dat van uw taak
't Alleen Verpoozing zij!
Leer bovenal, reeds in uw jeugd.
Dat Ernst — de Vader is der Deugd,
En dat de Smart ons hart gewis
(Al schijnt ze soms wat straf!)
De teerste Moeder is!
Geef nauwkeurig met eigen woorden den inhoud weer.
Opvoedkunde (1 uur).
1. Goed onderwijs zorgt voor splitsing der moeilijkheden.
Welke zijn die moeilijkheden bij 't eerste leesonderwijs?
Hoe zult ge dat beginsel daarbij toepassen?
2. Er moet verband zijn tusschen de mondelinge behan-
deling der leerstof en de schriftelijke opgaven. Hoe richt ge
beide in met het oog op deze stelling? Geef een paar voor-
beelden.
3. Zoek de oorzaken van wanorde en onoplettendheid in
de eerste plaats bij u zelf. Hoe verklaart ge dat? Wat volgt
daaruit ton opzichte van het straffen?