Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
42
school. Wat zult gij dien dag doen iu de school, en waarop
zult gij letten V
IX. Orerüsel.
Nederlandsch (11 uur).
De Genestet begint een zijner groote gedichten als volgt:
Wie heeft daar ooren voor een dwaas, ondeugend lied?
Wien belgt een losse scherts en ronde waarheid niet?
Wie laat mij vrijheid om te zeggen en te zingen
Al wat ik hoorde en zag, al zijn het vreemde dingen? —
Dat zal wel mettertijd verandren menschen! maar
Ik wil niet veinzen voor mijn drie-en-twintigst jaar. —
Wie kijkt de wereld in met onbenevelde oogen
En wordt niet graag door schijn, hoe heftig ook, bedrogen?
Gij zijt mijn man en ik omhels U in den geest,
Voor U te zingen is mijn blijde jeugd een feest!
Voor U myn frissche lach, mijn opgeruimde zangen:
Den ronden lach terug wil ik tot loon ontvangen.
Uw tranen wil ik niet. Die kostelijke schat
Komt beter U te pas op eigen levenspad;
En zoo ik U verveel, de hachlijkste aller kansen.
Dan moogt gij bij mijn vers gaan slapen, fluiten, dansen.
1. Verklaar: ondeugend lied (r. 1), losse scherts (r. 2),
veinzen (r. 6), onbenevelde oogen (r. 7), frissche lach (r. 11),
de hachlijkste aller kansen (r. 15).
2. Benoem om te zeggen als zindeel en maak taal-
kundige opmerkingen bij de beide woordjes al in reg. 4.
3. Vreemde dingen (r. 4): Hoe komt het woordje
vreemd aan deze beteekenis?
4. Wat wordt met dat bedoeld in r. 5 en waartoe dienen
de streepjes achter dingen (r. 4) en jaar (r. 6)?
5. Vertel iets over 't gebruik van't woordje wereld (r. 7).
6. Iemand meende dat reg. 8 beteekende: Een ieder wordt
wel eens graag door schijn bedrogen. Breng dien iemand van
zijn verkeerde meening af.
7. Hoe verklaart ge 't gebruik van Gij (r. 9)?
Er is toch niemand aangesproken.