Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
Hoe heerlijk is te lijdeu
Voor 't goed en heilig recht.
a. Geef deze versregelen met uw eigen woorden weer,
zoodat blijkt, dat ge den inhoud begrepen hebt.
b. Benoem taalkundig de cursief gedrukte woorden.
n. Maak een opstel over een der volgende onderwerpen:
1. Een morgenwandeling in het voorjaar.
2. Een prettige dag. (Briefvorm geoorloofd).
3. Schijn bedriegt.
Dictee. (.1 uur).
Juist zou de mailboot vertrekken, toen een bejaard man
met rassche schreden de loopplank overliep en zich haastte om
zich te bevrijden van de twee valiezen, een koffer en een
reisdeken, die hem in het loopen uitermate gehinderd hadden.
Nog hijgende van vermoeienis, zette hij zich in een gemak-
kelijken stoel.
, Dat had weinig gescheeld!" dacht hij, toen hü een rauwe
stem hoorde krijschen: ,inhalen!" en onmiddellijk daarop
de machine het schip in beweging zette.
, Juist nog bijtijds, mijnheer!" zei eeu reiziger, die dicht
bij hem zat, „en ik hoop, dat wij minder angst zullen uit-
staan om den overkant te bereiken, dan de beide vorige
keeren. Voor handelszaken moet ik deze overzeesche reis
dikwijls doen en ik verzeker u, dat men op zee meer hache-
lijke dan genoegelijke uren doorleeft. Maar daar luidt de schel
voor het eten! Vindt u het goed, dat wij op dit beschutte
plekje een gebraden haantje oppeuzelen? — „Ga uw gang",
was het antwoord, , doch ik hoorde wel eens beweren, hoe
leeger de maag is, hoe beter men tegen de zeeziekte kan".
— ,Och", zoo viel de reiziger hem in de rede, , wat den
een baat, schaadt den ander. Maar ik blijf op het dek, al
waait er ook een stevige bries. Men heeft hier van de reede
een mooi gezicht op het landschap in zomerdos. Zie de koren-
schoven eens deemoedig het hoofd buigen. De vruchten
moeten anders dit jaar schaarsch zijn, naar ik hoor. — Ila,
daar komt het bestelde maaltje. — Neen, die vischmooten
moeten hier niet zijn, kellner! Reik ons dien andei'en schotel
nnn ' "