Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
3. Wielrijden.
4. Weldadigheid.
Rekenen. (1 u. 45 min).
Het quotiënt van een deeling bestaat uit 3 cijfers, terwijl
de eerste aftrekker 276, de tweede 414 en de derde 276 is.
Zoo de rest 50 bedraagt, wat is dan het deeltal en wat kan
de deeler zijn ?
2. Iemand wisselt een gel^k aantal van ieder onzer tien
verschillende geldstukken tot guldens, kwartjes en dubbeltjes,
zoodanig, dat hij 2 maal zooveel kwartjes als guldens en 2
maal zooveel dubbeltjes als kwartjes krijgt. Hoeveel kan hij
van elk dier tien geldstukken hebben gehad ?
8. Als van een partij graan het f; deel wordt verkocht
met 8 % winst en de rest met 10 % verlies, dan bedraagt
de geheele verkoopsprijs f 13.50 meer dan wanneer het |
deel verkocht wordt met 12^ % winst en de rest met 5 %
verlies. Hoe groot is de partij, als de H.L. voor f 3.75 is
ingekocht ?
4. A heeft f 2000 en B f 3000. C, die ook een som gelds
heeft, verdeelt die zoo tusschen A en B, dat B daarvan 6
maal zooveel ontvangt als A. Zoo nu A's geld ily is van dat
van B, hoe groot was dan de geldsom van C ?
5. Uit een houten cilinder, waarvan de middellijn van het
grondvlak 101 cM. en de hoogte 24 cM. is, snijdt men een
kegel en een regelmatige vierzijdige pyramide, die beide hun
toppunt hebben in het zwaartepunt van den cylinder. Als het
vierkant, beschreven in het grondvlak van den cylinder, het
grondvlak der pyramide is en het bovenvlak van den cilinder
het grondvlak des kegels, hoeveel cM®. hout moet dan worden
weggesneden ?
Paedagogiek. (I uur).
[Een onderwerp te behandelen).
1. Aan welke eischen moet naar uwe meening een goede
leesmethode voldoen? Geef een schets van een leesmethode.
2. Hoe zult ge uw onderwijs inrichten, opdat het aantal
achterlijke leerlingen zoo klein mogelijk worde, zonder daar-
door aanmerkelijk te kort te doen aan het onderwijs der
overige leerlingen ?
Wat is het doel van den onderwijzer bij de toepassing van