Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
Overijsel.
Nederlandsche Taal. (2|- uur).
(Spelling van De Vries en Te Winkel).
a. Opstel (1 uur). Naar keuze:
1. De Mode.
2. Een mooie voorjaarsdag.
3. Een hachelijk oogenblik.
4. Hoe ik gevaarlijk ziek was.
b. Verklaar van drie der volgende uitdrukkingen de figuur-
lijke beteekenis uit de eigenlijke:
De vlag strijken. Vrij spel laten. Den doorslag geven.
Met de noorderzon vertrekken. De kat uit den boom kijken.
c. Holland.
Blijf, wat ge waart, toen ge blonkt als een bloem;
Zorg, dat Europa den zetel der orde.
Dat de verdrukte zijn wijkplaats u noem',
Land mijner Vad'ren, mijn lust en mijn roem.
En wat de donkere toekomst bewaart.
Wat uit haar zwangere wolken ook worde,
Lauw'ren behooren aan 'tvleklooze zwaard.
Land, eens het vrijst en gezegendst der aard.
Potgieter.
1. Ontleding in zinnen met aanwijzing van het zinsverband.
2. Taalkundige ontleding der cursieve woorden met ver-
klaring der naamvallen.
d. Gebruik in zinnen, zoodat de beteekenis duidelijk uitkomt:
werktuiglijk, argeloos, schamper, keerpunt, ondertusschen,
intusschen.
Rekenen. (1^ uur).
1. A, B en C kunnen samen een werk afmaken in 24 dagen.
Nadat A en B er samen eerst 8 dagen aan gewerkt hebben,
werkt B gedurende 20 dagen alleen, waarna de rest door C
in 29 dagen voltooid wordt. In hoeveel dagen zou C het
werk alleen hebben kunnen doen, als de krachten van A en B
zich verhouden als 2 : 3?