Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
c. Welke beteekenis heeft hol in de volgende uitdrukkingen ?
Geef telkens het tegenovergestelde er van.
5. Holle wangen, een holle zee. een holle boom, een
holle stem, holle klanken, in 'tholle van den nacht.
d. Vergelijk:
6. Onbewust met bewusteloos; bestendig met standvastig;
Vergelijken bij met vergelijken met.
Rekenen, (l.i uur).
1. Bereken de waarde , welke x heef in de volgende even-
redigheid, zonder toepassing van de hoofdeigenschap:
{x + 5) : {x + 20) = (a; — 5) : (x + 4).
Geef de eigenschappen op, waarvan gij gebruik maakt.
2. Telt men bij den deeler van zekere opgaande deeling
8 op , dan wordt daardoor het quotiënt met f vermenigvuldigd.
Wanneer de som van deeler, deeltal en quotiënt 271 bedraagt,
hoe groot is dan het deeltal?
3. Drie kapitalen staan respectievelijk uit tegen 5,4 en 6 pCt.
Het tweede kapitaal is 2f maal zoo groot ais het derde.
Was het eerste kapitaal f 3000 grooter, dan zou de jaarlijksche
rente daarvan gelijk zijn aan die der beide andere kapitalen
te zamen. Hoe groot is elk kapitaal, als ze gezamenlijk
f 18.000 bedragen?
4. Vermeerdert men de lengte van eenen rechthoek met
2 cM. en de breedte met 4 cM., dan verkrijgt men een
kwadraat, dat 7fi cM^. grooter is. Hoe groot is de rechthoek?
5. Een cylindervormige steenen put heeft eene diepte van
8 M. en eene middellijn binnenwerks van 1,75 M., terwijl de
muur 17,5 cM. dik is.
Hoeveel steenen zijn daarvoor gebruikt, als er 800 in de
Stère gaan?
Hoe hoog staat het water in den put, wanneer deze 2500
Liter bevat van 4" C. ?
De verhouding van den omtrek tot de middellijn eens
cirkels is aan te nemen als
Onderwijs en Opvoeding. (1 uur).
1. Voor het welslagen van het onderwijs is noodig, dat de
onderwijzer de genegenheid der leerlingen bezit. Waarom?
Geef eenige middelen aan, waardoor hij die genegenheid kan
verwerven en behouden.