Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
P a e d a g o g i e k. (1 luir).
(Een der drie volgende onderwerpen te behandelen).
1. Zet uiteen, in hoeverre de behandeling der platte-
gronden van school eu woonplaats kan dienen tot voor-
bereiding voor het onderwijs in de aardrijkskunde. Moet
men voor die behandeling juist de school kiezen, waarin het
kind onderwijs ontvangt, de gemeente, waarin het woont?
Is die behandeling als inleiding tot het aardrijkskundig
onderwijs voldoende ?
2. Onderwijs aanschouweliik.
Wat wil men hiermede zeggen? Waarom gaat men bij het
ouderwijzen van deze grondstelling uit? Laat door een of
meer voorbeelden zien, dat gij ze in toepassing weet te
brengen.
3. Wat verstaat ge door apperceptie?
Licht dit door voorbeelden toe. Waarom speelt zij zulk
eene belangrijke rol bij het ouderwijzen? Laat door een of
uieer voorbeelden zien, dat ge ze weet toe te passen.
Utrecht.
Nederlandsche Taal. (2.] uur).
NU. Buigingsuitgangen niet weglaten.
Is krijgen leven, — hebben is de dood!
Doch.....hebt gij iet.
Geeft 'tarm'ren, dat maakt levend, mits ge 't niet
Werpt in hun schoot.
Leer hen verkrijgen ook; — 'tis tot het graf.
De Mozesstaf,
Die uit des levens steenrots, hoe 'tons gaat,
Frisch water slaat.
1. Geef den inhoud van het bovenstaaude naaar eigen
woordeu terug.
2. Ontleed het volgende versje in zinnen, en benoem de
cursieve woordeu.
Dat kan mij vaak weemoedig maken,
Dat ons de tijd zoo snel ontvaart;
Dat eer zij 'i Heden reclit mocht smaken,
De ziel reeds iu 't Verleden staart.