Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
9
3. Goed onderwijs zorgt voor splitsing der moeilijkheden.
Welke zijn die moeilijkheden bij het eerste leesonderwijs?
Eu hoe zult gij het hierboven uitgedrukte beginsel daarbij
toepassen ?
iVoord-Hrabaiit.
Nederlandsche Ta al. (2 uur).
Wilg en Popel.
1. Meen niet dat 'e'ene deugd voor allen past! —
De popel streeft omhoog met trotsch verachten
Der aarde en 't harte popelt haar van smachten
Naar \ blauw des hemels, waar de vrede wast;
De treurwilg neigt en loot en looverlast,
Die 't water zoeken met een hoopvol trachten
En lijdzaam op de blijde stonde wachten.
Dat zij door golfjes worden overplast;
Men moet den popel, die zich buigt, verachten;
De treurwilg, die de wolken zoekt, misdoet; —
Want elk moet, wat hem past te doen, betrachten:
Wie, wat zijn aard beveelt, verricht, is goed;
De duif zij zacht, maar de arend toont zijn krachten
En gal zij bitter, maar de honing zoet.
a. Schrijf het gedicht over en vervang de cursief gedrukte
woorden door andere, met gelijke beteekenis.
b. Breng het in proza over.
c. Geef in korte woorden de bedoeling van den dichter weer.
d. Ontbind de laatste 3 regels in zinnen, benoem die en
noem het zinsverband.
e. Ontleed taalkundig de gespatieerde woorden; noem bij
de naamvallen de soort.
2. Verklaar de figuurlijke beteekenis en doe die in flinke
zinnen uitkomen van twee der volgende woorden: dma(/Ä;rrtCÄ.t,
zadelvast, ontzenuwen, bewierooken.
3. Wat is het verschil tusschen woestijn en woestenij; ruw
en rauw; handig en behendig? Gebruik al deze woorden in
zinnen, waarin hunne beteekenis uitkomt.