Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
Aardrijkskunde. (Naar keuze).
a. De waterwegen van Amsterdam.
h. Het gouvernement van Sumatra's westkust.
c. De kust der Middellandsche zee van Gibraltar tot Genua.
Onderwijs en Opvoeding. (Naar keuze).
a. Hoe brengt ge bij uwe leerlingen juiste begrippen aan
van maten en gewichten?
h. Welke zijn de voordeden van de verbinding van het
aanvankelijk lees- en schrijfonderwijs?
Welke bezwaren doen zich bij de uitvoering voor en hoe
komt men daaraan tegemoet?
Koord-llolland.
NB. Spelling van De Vries en Te Winkel.
Buigingsuitgangen mogen niet verwaarloosd worden.
Nederlandsche Taal. (2^ uur).
1. Een opstel over één der volgende onderwerpen:
1. Herinneringen uit mijne schooljaren.
2. De luchtballon.
3. Het vuur.
4. Het bosch in de lente.
II. Gebruik vijf van de volgende uitdrukkingen in goede
zinnen, waarin de figuurlijke beteekenis duidelijk uitkomt:
I. Poolshoogte nemen. 2. Water in den wijn doen.
3. Den toon aangeven. 4. Een slag om den arm houden.
5. Zich blij maken met een doode musch. 6. Tegen den
stroom oproeien. 7. Zich aan een' stroohalm vasthouden.
8. Den genadeslag geven. 9. Leergeld betalen. 10. Iemands
doopceel lichten.
III. Een der volgende onderwerpen behandelen en met
voorbeelden verduidelijken:
o. Wat is het kenmerk der vragende woordschikking? —
Komt die ook wel voor in zinnen, die niet vragend zijn? —
In welke dan?
h. Het oorzakelijk voorwerp (de bepaling); bü welke woord-
soorten het voorkomt, en in welken vorm?