Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
I. Grafschrift op M. A. De Ruijter.
1. De Ruijter eert dit graf. Wat Ruijter? Die vol gloed
2. Op 't brieschend waterpaard door vloed en vlam en bloed
8. En dood naar eeuwige eer, de kroon der helden, streefde,
4. De schrik des oceaans, waar menig vorst voor beefde,
5. d' Onwinbre vuist des staats, die viermaal schutte op 't punt
6. Van zijn geweer den steek, op Hollands hart gemunt,
7. De waterleeuw, die, wat de zeevaart kwam benauwen,
8. Versloeg of afsloeg met zijn ijzeren en koop'ren klauwen,
9. 's Lands helder zeelicht, dat al 't aardrijk overstraalt,
10. Van zee noch kust, van op- noch ondergang bepaald.
1. Ontleed taalk. de schuingedrukte woorden.
2. Waarom is naar (r. 3) een voorzetsel?
Gebruik het als een ander rededeel in een zinnetje.
3. Wat voor zin is de bijzin in r. 7? En waarom?
4. Benoem redekundig; de kroon der helden (r. 3), eeuwige
eer (r. 3), van zijn geweer (r. 6), den steek (r. 6).
5. Welke namen heeft De Ruijter in dit grafschrift? Waarom
wordt hij zoo genoemd?
II. Verklaar drie van de volgende figuurlijke uitdrukkingen:
1. Het plan viel in duigen.
2. De mijn is verkeerd gesprongen.
3. Hij vergeet den afstand, die hem van zijn meester
scheidt.
4. Een boom valt niet met den eersten slag.
5. Met twee maten meten.
6. Een dam opwerpen tegen.
Nederlandsche Taal. (Tweede gedeelte). (1 '/4 uur.)
III. Bedenk een verhaaltje, waaruit de waarheid van één
der volgende gezegden blijkt:
1. De kruik gaat zoolang te water, tot ze breekt.
2. Alle hout is geen timmerhout.
3. Tusschen twee vuren zitten.
3. Wie kaatsen wil, moet den bal verwachten.
5. Water naar de zee dragen.
6. Ook het leven heeft zijn eb en vloed.