Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
100
207. Het •■'/s gedeelte eener partij waren wordt met 24 pet.
winst, de rest met 22', cent verlies per KG. verkocht, waar-
door men juist den inkoop of f 1562.50 terug ontvangt. Hoeveel
KG. was de partij groot?
208. Vermeerdert men de teller eener breuk met 6 en ver-
menigvuldigt men den noemer met 4, dan wordt zij gelijk
aan ''4. Deelt men den teller door 8 en vermeerdert menden
noemer met 3, dan wordt de waarde = "n. Welke is die
breuk?
209. Iemand heeft twee stukken katoen, waarvan de lengten
zich verhouden als 4 : ö. Nadat van beide stukken 24 JI. zijn
afgesneden, worden de resten tegen denzelfden prijs per M.
verkocht voor f 162 en 207. Hoe lang was ieder stuk?
210. Van twee rechthoekige bakken heeft de eene 16.83 HL.
meer inhoud dan de andere. De grootste bak is lang 2.4 M.,
breed 17,5 dM.; de andere is 1.8 M. lang en 13.5 dM. breed,
terwijl de laatste 4 dM. dieper is dan de eerste, Hoe diep is
de kleinste bak?
.11.111. ITlrec'lit. (l'/j uur.)
211. Een winkelier stelt den verkoopsprijs zijner waarzoo-
danig, dat hij 17 pet. winst zal maken, als hij door indrogen
en inwegen 10 pet. op het gewicht verliest. Later blijkt, dat
er slechts 5 pet. op het gewicht verloren is. Hoeveel pet. heeft
hij dan gewonnen?
212. Van eene evenredigheid is de som der beide uiterste
termen 102 en die der beide middelste 93. De derde term ge-
deeld door den eersten, geeft tot quotiënt ^/g. Welke is die
evenredigheid?
213. Van een rechthoekigen akker wordt rondom eene
strook van 3 M. breedte afgenomen, waardoor de oppervlakte
met 1494 vermindert. De afmetingen van het overblijvende
stuk verhouden zich als 5 : 4. Hoeveel A was de akker eerst
groot?
214. Om een' massieven cylinder, hoog 8 dM.. en waarvan
het grondvlak 3,5 dM. middellijn heeft, wordt, behalve aan
de eindvlakken, een houten omkleedsel gemaakt van 7 cM.
dik. Hoeveel weegt nu de cylinder? (S. G. van hout 0.6, van
ijzer 7).