Boekgegevens
Titel: Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
2e verm. uitg
Opmerking: Bevat ook: Eerste vervolg 1898-1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8764
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202120
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Onderwijsbevoegdheid, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald I voor adspirant-onderwijzers en onderwijzeressen: Verzameling der schriftelijke werkzaamheden van LXXIII acte-examens voor onderwijzer van 1894-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
95
168. Van eene meetkundige evenredigheid is de som van
de termen der eerste reden 45, de som van alle termen 120
en het product der volgende termen 1215. Welke is die even-
redigheid ?
169. Drie personen A, B en C brengen f 13500 bijeen om
te handelen. De inleg van A en B staat tot dien van B en C
en tot dien van A en C als 9 : 10 : 11. Hoe groot is ieders
inleg en aandeel in de winst, zoo A, die den handel drijft,
een negende der winst vooraf geniet?
170. Twee plaatsen X en IJ liggen 25 KM. van elkander,
's Morgens om 8 uur gaat A en 36 minuten later B uit X
naar IJ. A legt 5 en B 6 KM. per uur af Hoe laat is B even
ver van A als van IJ verwijderd?
XXXV. kroningen, (l'/a uur.)
171. Telt men bij een getal van twee cijfers de som dier
cijfers, dan is de uitkomst 89. Welk getal was dat?
172. A handelt met een zekere som en wint 10 pot. B
handelt met f 250 meer en verliest 12 pct. Als beiden nu
evenveel bezitten, met hoeveel heeft dan ieder gehandeld?
173. Iemand heeft vijfmaal zooveel noten als peren. Hij
eet 5 noten op en ontvangt er 3 peren bij, en nu heeft hij
driemaal zooveel noten als peren. Hoeveel peren had hij eerst?
174. Een houten kubus, waarvan de ribbe 6 cM is, heeft
men 1 cM. dik met lood bekleed. Hoeveel KG. weegt deze
kubus, als het S.G., van het hout 0.5 en dat van het lood
11 is?
175. A en B handelen te zamen met f 13000. A geeft zijn
aandeel voor een jaar en B voor 8 maanden. Als A van de
winst meer ontvangt dan B, hoeveel heeft dan elk ingelegd?
XXXVI. Friesland, (l'/j uur.)
176. Men vermeerdert den teller eener breuk met 2 en
den noemer met 1. Nu verkrijgt men eene breuk, die door
omkeering 2'/4 maal zoo groot wordt, als zij is. Als de som
van teller en noemer der oorspronkelijke breuk 42 is, welke
is dan deze breuk?