Boekgegevens
Titel: Volledige leercursus der Fransche taal door J.N. Valkhoff
Auteur: Valkhoff, J.N.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1898
15e, herz. druk
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1037
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202104
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Volledige leercursus der Fransche taal door J.N. Valkhoff
Vorige scan Volgende scanScanned page
124.
'ya, ik heb 7vat of Neen, ik heb niet of beter Neen, ik heb geen
brood of eenvoudig Neen. In 't Fransch is dit anders.
In 'teerste geval, als men zeggen wil: ya, ik heb wat, drukt
men dit in 't Fransch op eene zeer eigenaardige wijze uit, namelijk
door te zeggen ya, ik heb er van, of Oui, j'en ai. In 't tweede
geval zegt men: Non, je n'en ai pas. Dat woordje en beteekent
dus er van, en heeft altijd betrekking op een in de vraag of in een'
vorigen zin voorkomend zelfstandig naamwoord. In onze beide zinnen
heeft en betrekking op pain en livres. Dat en mag in 't Fransch
nooit weggelaten worden in 't antwoord, als het articie partiti/in de
vraag gebruikt is.
In de opstellen hebben we de woordjes wat, er en eenige gebezigd
om zooveel mogelijk het woordje en weder te geven, ya, of neenw&re.
zeker wel zoo goed geweest, maar niet zoo gemakkelijk voor den vertaler.
Ook vóór telwoorden wordt en veel gebruikt, als 't naamwoord
niet herhaald is.
Hoeveel boeken hebt gij? ComMen de livres avez-vous?—
Ik heb er twaalf: J'en ai douze.
Maak nu de volgende opstellen :
134-
Welken hond hebt gij? — Ik heb den hond van den
Engelschman. Welke boeken heeft uw broeder? — Hij
heeft die van den koopman. Welke huizen heeft uw va-
der? — Hij heeft de zijne. Heeft de knecht mijne siga-
ren of de uwe? — Hij heeft de uwe en niet de mijne,
hij heeft de zijne. Hebben uwe broeders mijne schrijf-
boeken of de hunne ? — Zij hebben de uwe niet, zij heb-
ben de hunne.
135-
Heeft uw kind suiker? — Het heeft wat {er van).
Heeft de zoon van den buurman boeken? — Hij heeft
eenige {er van). Hebt gij bier? — Ik heb wat. Heb-
ben die Engelschen geld? — Zij hebben wat. Wat