Boekgegevens
Titel: Vervolg van het algemeen leesboek en ordelijk onderwijs, voor de eerste behoefte der kinderen, in hunne onderscheidene omstandigheden en betrekkingen
Auteur: Thurn, Wilhelm Christoph
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp, van de Grampel en Hanssen, 1825
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8611
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202086
Onderwerp: Pedagogiek: ethische vorming (pedagogiek)
Trefwoord: Ethische vorming, Socialisatie (bedrijven), Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vervolg van het algemeen leesboek en ordelijk onderwijs, voor de eerste behoefte der kinderen, in hunne onderscheidene omstandigheden en betrekkingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
EN. zijN5 BESTEMMING. Uoofdfi. IV. 99
gegrond in het geloof, dat God onze Vader is ,
dal zijne FoJTzienigheid onf bewaakt , en dat ons
lot altoos op ons wezenlijk heil moet uitloopen.
Zoon. isiog ééne vraag, Vader! Hoe komt
het, dat gij den man op den hoek, die u altijd
zoo veel kwaad gedaan heeft, hetwelk gij nu nog
bezuren moet, zoo vriendelijk behandelt, hem
uit ongelegtnheid redt, en zelfs uw gering ver-
mogen mei hem deelt, wanneer hij gebrek heeft,
dat gij nog niet hebt?
V a d e k. Jezus heeft ons bevolen , elkander
te beminnen, zoo als Hy ons bemind heeft.
Hy leefde, bad en flierf voor zijne vijanden , zoo-
wel als voor zijne vrienden. fVanneer wy met de
menfchen als broeders verkeeren , infchikkelyk
zijn , en verongelijkin^en vergeven , dan blijkt
het, volgens zijne getuigenisfkn , dat veij Hem
inderdaad liefhebben. Hij ^ wiens geloof geens
vrucht draagt, is niet uit God, en de vrucht
des geloofs is liefde. Zonder ver^vingsgezinde
liefde , en zonder mededeelzaamheid, kunnen wij-
Gode nimmer welgevallig zijn, of aanfpraak op
de zegeningen maken van Hem, die allen men-
fchen , boüzen en 'goeden., gelijkelijk weldoet.
God is zoo weldadig, en vergeeft zoo menig-
maleh , zelfs den deugdcaatnjlen menfch: waarom
zouden wij dan onzen broederen niet de behulp-
zame hand bieden , wanneer zij dit noodig hebben ,
en grootmoediglijk hunm gebreken verfchoonen ,
daar wij toch allen aan zoo vsle zwakheden
onderhevig zijn ? Dit is de reden , mijn zoon ! dat
ik allen menfchen, zelfs mijnen vijanden^ ze»
veel in mij is , tracht wil te doen.
Geloof en hoop en liefde leven,
Waar onvervalschte Godsvrucht blaakt;
Zij doen ons naar dat heilgoed ftrcven,
Dat ons voor de eeuwigheid volmaakt.
ü 2 III. LE-