Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
■ 54
GELIJKENISSEN VAN JEZUS.
De wijze en de dwaze bouwmeester (Matth. 7 : 24—27; Luk. 6:
47—49)-
De oude lap op het nieuwe kleed (Matth. 9:16, 17 ; Mare. 2:2, 22).
De nieuwe wijn in oude zakken (Luk. 5 : 36—39).
Het zaad, op verschillenden grond gestrooid (Matth. 13 : i—9,
18—22; Mare. 4 : 3—9, 14—20; Luk. 8 : 4—15).
Het onkruid tusschen de tarwe (Matth. 13 : 24—30, 36—43).
Het mosterdzaad (Matth. 13:31, 32; Mare. 4: 30-32; Luk. 13 :18,19).
Het zuurdeeg (Matth. 13 : 33; Luk. 13 : 20, 21).
De schat, in den akker verborgen (Matth. 13 : 44).
De parel van groote waarde (Matth. 13 : 45, 46).
Het vischnet (Matth. 13 : 47—50).
De heer des huizes, die oude en nieuwe dingen voortbrengt
(Matth. 13 : 52).
Het verloren of afgedwaalde schaap (Matth. 18 : 12, 13; Luk. 15 :1-7).
De onbarmhartige dienstknecht, dien de schuld was kwijtge-
scholden (Matth. 18 : 23—35).
De arbeiders in den wijngaard (Matth. 20 : i—13).
De twee zonen van verschillend karakter (Matth. 21 : 28—32).
De goddelooze landlieden (Matth. 21 : 33—46; Mare. 12 : i—12;
I.uk. 20 : 9—19).
Het koninklijke gastmaal en de gast zonder feestgewaad (Matth.
22 : I—14).
De getrouwe en voorzichtige dienstknecht (Matth. 24 : 42—51;
Luk. 12 : 25—48).
De wijze en de dwaze maagden (Matth. 25 : i—13).
De toevertrouwde talenten (Matth. 25 : 14—30).
Het zaad, dat opschoot zonder toedoen van den zaaier (Mare.
4 : 26—29).
De twee schuldenaars (Luk. 7 : 41—43).
De barmhartige Samaritaan (Luk. 10 : 25—37).
De vriend in nood (Luk. 11 : 5—8).
De rijke dwaas of de dwaze rijkaard (Luk. 12 : 13—21).
De onvruchtbare vijgeboom (Luk. 13 : 6 — 9).
Het groote avondmaal (Luk. 14 : 16—24). '
De torenbouw en de oorlogsonderneming (Luk. 14 : 28—38).
De verloren penning (Luk. 15 : 10).
De verloren zoon (Luk. 15 : 11—32).
De onrechtvaardige rentmeester (Luk. 16 : i—13).
De rijke man en I>azarus (Luk. 16 : 19—31).
De dienstknecht, die geen aanspraak heeft boven zijn loon (Luk.
17 : 7-1°)-
De onrechtvaardige rechter en de weduwe (Luk. 18 : i—8).
De farizeër en de tollenaar (Luk. 18 : 10—14).
De toevertrouwde talenten of ponden (Luk. 19 : 11—27).