Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
4o. — DE OPSTANDING DES HEEREN.
(Matth. 27 : 62—28 : 15; Marc. 16 : I —13; Luk. 24 : 1—35; Joh. 20: I —18.)
De overpriesters en farizeën wisten, dat Jezus van Zijne opstan-
ding gesproken had. Zij waren nu bevreesd, dat de discipelen Zijn
lichaam zouden wegnemen, om dan te kunnen zeggen, dat Hij was
opgestaan. Zij gingen daarom tot Pilatus met het verzoek, dat het
graf verzegeld en eene wacht daarbij gesteld mocht worden, hetgeen
hun ook toegestaan werd. Toen nu de sabbat voorbij was, gingen
Maria Magdalena en enkele andere vrouwen zeer vroeg in den
morgen naar het graf. Zij hadden specerijen meegenomen om het
lichaam des Heeren te balsemen. Op weg daarheen maakten zij er
zich bezorgd over, wie den zwaren steen voor haar van het graf
afwentelen zou. Bij het graf gekomen, zagen zij echter, dat dit reeds
geschied was. — Een Pingel was namelijk nedergedaald en had dit
gedaan. De wachters hadden toen verschrikt de vlucht genomen en
verspreidden later, op raad der farizeën, de leugen, dat, terwijl zij
sliepen, de discipelen het lichaam gestolen hadden. — De vrouwen
vonden dan ook het graf ledig. Maria Magdalena ging nu haastig
naar Petrus ew Johannes en klaagde hun, dat men den Heer weg-
genomen had en dat zij niet wisten waar men Hem gelegd had.
De andere vrouwen gingen echter in het graf en zagen daar een
jongeling in witte kleeding. Het was een Engel, en zij werden toen
zeer verschrikt. Maar hij zeide tot haar: Vreest niet, want ik weet,
dat gij zoekt Jezus, die gekruisigd was. Hij is hier niet, want Hij
is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Gaat heen, zegt Zijnen dis-
cipelen en Petrus, dat Hij u vóór gaat naar Galiléa. Terwijl de
vrouwen nu haastig heengingen, ontmoette haar Jezus, die haar
aansprak. Vol blijdschap vielen zij voor Hem neder en aanbaden
Hem. — Petrus en Johannes waren terstond met Maria Magdalena
meegegaan, en toen ook zij het graf ledig vonden, gingen zij weer
naar huis. Maria bleef evenwel achter, bitterlijk weenende. Nog
éénmaal wilde zij in het ledige graf zien. Toen zag zij twee Engelen,
die haar vroegen, waarom zij weende. Diep bedroefd zeide zij:
Omdat zij mijnen Heer weggenomen hebben en ik weet niet, waar zij
Hem gelegd hebben. Tegelijk keerde zij zich om en zag iemand staan,
die tot haar zeide: Vrouw, wat weent gij? wien zoekt gij? Daar
zij meende, dat het de hovenier, de bewaarder van den hof, was,
vroeg zij hem, di. Hij haar zou zeggen, waar haar Heerwas. Toen
noemde Jezus — want Hijjwas het — haar naam. Terstond herkende
zij Hem , en blijde riep zij uit: Rabboimi, d,. i. Mijn Meester. De Heer
gaf haar toen last om aan Zijne discipelen te zeggen, dat zij Hem
gezien had en dat Hij weldra zou opvaren tot Zijnen Vader. — Dien-
zelfden dag verscheen Jezus aan Petrus en ook aan twee mannen,
van welke de een Kléopas heette, die op weg waren naar Emmaüs
en door Hem uit de Schriften onderwezen werden. — i Cor. 3 :2o;
Kom. 14 : 9; 2 Tim. 2 : 8.--Gez. 141 : I ; Ps. 42 : 3; Gez. 140 : 7.