Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
39- — JEZUS GEKRUISIGD.
(.Matth. 27 : 31-66: .Marc. 15 : 20—47; Luk. 23 : 26—56; Joh. 19 : 16—42.)
De Heer moest zelf Zijn kruis dragen naar Golgotha, waar het
vonnis uitgevoerd zou worden. De soldaterj dwongen echter eenen
Simon van Cyrene om het met Hem te dragen. Eene talrijke
schare vergezelde den Heer. Daaronder waren ook vrouwen, die
medelijden met Hem hadden. De Heer zeide echter tot haar, met bet-
oog op de ellende, die later den Joden zou treffen : Weent niet over
mij, maar over u zeiven en over uwe kinderen. Zij zouden in die bange
dagen zelfs naar den dood verlangen. — Op Golgotha gekomen, werd
Hij tusschen twee moordenaren gekruisigd. Terwijl men dit deed, bad
Jezus: Vader, vergeef het hu?i, want zij weten niet, wat zij doen. —■
Onder het kruis lootten de krijgsknechten om Zijne kleederen. Boven
Zijn kruis stond een opschrift: Jezus de Nazarener, de Koning der
Joden. De Joden, wien dit ergerde, wilden dit weggenomen zien,
maar Pilatus liet het staan. — Vreeselijk leed de Heer. Naar het
lichaam, want men had Zijne handen en voeten doorboord. Maar ook
naar. de ziel. Zijne vijanden toch bespotten Hem en verweten Hem
Zijne onmacht om van het kruis af te komen. Ook een der moorde-
naren deed daaraan mede, maar hij werd door den anderen kruiseling
daarover bestraft. Deze vroeg toen aan Jezus: Heere! gedenk mijner,
als gij in uw koninkrijk gekomen zult zijn. De Heer antwoordde hem:
Voorwaar zeg ik u, heden zult gij met mij in het Paradijs zijn. — In de
nabijheid van het kruis stonden Zijne moeder en Johannes. Tot Maria
zeide Jezus: Vrouw, zie uw zoon ! en tot Johannes: zie uwe moeder !
Johannes begreep, wat Jezus hiermede bedoelde, en nam van toen
af Maria op in zijn huis. — Des middags om 12 uur werd het zeer
duister. Dit duurde drie uren lang. Om 3 uur riep Jezus, wiens lijden
toen op het hoogst was : Eli, Eli, Lama Sabachihani; d. i. Mijn God,
mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten. Sommigen spotten ook
hiermede en zeiden, dat Hij Elias riep. — Daarna zeide Jezus:
Mij dorst. Men bracht Hem toen ter lafenis een spons met edik aan
den mond. — Nu was ook het einde nabij. Nog eenmaal riep Jezus
met luider stem: Het is volbracht! en daarna, het hoofd buigende
gaf Hij den geest, met de woorden: Vader, in Uwe handen beveel
ik mijnen geest. — Toen scheurde het voorhangsel des tempels in
tweeën, de aarde beefde en vele dooden werden opgewekt. De hoofd-
man over honderd, alles ziende wat er geschiedde, erkende: Waar-
lijk|, deze mensch was Gods Zoon. — Daar het den volgenden dag
s.abbat was, mochten de lichamen niet aan het kruis blijven hangen.
De soldaten braken nu de beenen der moordenaren, zoodat dezen
stierven, terwijl een van hen de zijde van Jezus met eene speer
doorstak. — Met toestemming van Pilatus begroeven Jozef van
Arimathéa, een vroom raadsheer, en Nicodemushet lichaam des
Heeren in een nieuw graf — Joh. 10 : 11; Jes. i : 18; Gal. 2 : 20.--
Ps. 3 : i: Gez. 130 : i, 6; Ps. 105 : 3.