Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
38
38. — JEZUS VOOR PILATUS EN HERODES.
(Matth. 27 : I—31 ; Marc. 15 : I—20; Luk. 23 : I—25; Joh. 18 : 28—19 : 16.)
Toen Judas hoorde, dat de Heer ter dood veroordeeld was, had
hij berouw over zijn verraad. Hij begaf zich nu tot de overpriesters
en bekende, dat de Heer onschuldig was. Zij stieten hem echter ruw
en wreed van zich af. Toen wierp hij hun het geld, waarvoor hij
Jezus verraden had, voor de voeten en in zijn wanhoop verhing hij
zich. — Het vonnis over den Heer moest eerst nog door den Romein-
schen landvoogd, Pontius Pilatus, bekrachtigd worden. De Joden
brachten daarom Jezus naar het rechthuis. Pilatus vroeg hun, waar
zij Jezus van beschuldigden. Zij zeiden daarop, dat Hij het volk op-
roerig maakte en het verbood, den keizer schatting te geven, zeg-
gende , dat Hij zelf de Christus, de koning der Joden was. Op de
vraag van Pilatus, of Hij de koning der Joden was, gaf Hij ten
antwoord, dat Hij wel een koning, maar dat Zijn koninkrijk niet
van deze waereld was. Pilatus zeide daarop tot de Joden, dat hij
geen schuld in Jezus vond. Zij hielden echter vol, dat Hij van Galiléa
af tot in Judéa het geheele land doorgegaan was om het volk in
beroering te brengen. Op al deze beschuldigingen bewaarde Jezus
een verheven stilzwijgen. — Toen Pilatus van Galiléa hoorde, be-
sloot hij Jezus tot H e r o d e s, die juist te Jeruzalem was, te zenden.
Herodes, die reeds lang verlangd had Jezus te zien, hoopte nu,
dat de Heer in zijne tegenwoordigheid een wonder zou doen. Maar
wat hij Jezus ook vroeg, de Heer zweeg op iedere vraag. Herodes
met zijne krijgsknechten bespotte Hem nu, liet Hem een wit kleed
aandoen en zond Hem weder tot Pilatus, daar ook hij geen schuld in
Jezus vond. — Pilatus wilde Jezus nu loslaten, maar om het volk
te believen stelde hij voor, Hem eerst te geeselen. Daar hij gewoon
was, hun op het Paaschfeest eenen gevangene los te laten, gaf hij
hun nu de keuze tusschen Jezus en een zekeren Barabbas, een
oproerling en moordenaar, die gekruisigd moest worden. Vóór dat
het volk zich uitsprak, liet Pilatus' vrouw (Claudia Pröda) hem
waarschuwen, dat hij Jezus toch geen kwaad zou doen. Zij had
dien nacht van Jezus gedroomd en koesterde medelijden met Hem.
Ondertusschen bewerkten de overpriesters het volk, en toen de land-
voogd nu nogmaals vroeg, wie losgelaten moest worden, koos de
menigte Barabbas, terwijl zij eischte, dat Jezus gekruisigd zou wor-
den. Pilatus stelde hen verantwoordelijk voor deze daad, maar zij
riepen : Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen. — Pilatus
wilde Jezus wel gaarne loslaten, maar toen het volk hem dreigde
met des keizers ongenade, gaf hij Hem over om gekruisigd te wor-
den. Na de geeseling bespotten Hem de krijgsknechten, die Hem
bewaakten. Zij tooiden Hem als koning met een purperen mantel,
een doornenkroon en een rietstaf. Ook bespogen en sloegen zij Hem.
Eindelijk leidden zij Hem weg, om Hem te kruisigen. — Rom. 6 : 23;
I Petr. 2 ; 20—22; Jes. 53 : 5.--Gez. 122 : i, 4; Ps. 119:69; Gez. 123: i, 2.