Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
37- — JEZUS VOOR KAJAFAS EN DEN JOODSCHEN RAAD.
(Matth. 26 : 57—75 ; Mare. 14 : 53—72; Luk- 22 : 54—71; Joh. 18 : 13—27.)
Jezus werd nu eerst gebracht naar het huis van A n n a s, die de
schoonvader van den hoogepriester Kajafas was. Deze liet Hem al
zeer spoedig gebonden brengen naar het hoogepriesterlijk paleis,
om daar voor Kajafas en den Joodschen Raad (het Sanhedrin)
terechtgesteld te worden. — Daarheen volgde Hem Petrus op een
afstand. Terwijl deze zich nu in de zaal des hoogepriesters bij een
kolenvuur zat te warmen, kwam er eene dienstmaagd bij hem, die,
hem aanziende, zeide: Ook gij waart met Jezus den Nazarener.
Petrus sprak dit echter tegen en zeide, dat hij dien mensch zelfs niet
kende. Kort daarna zeide eene andere dienstmaagd hem hetzelfde.
Maar hij loochende het weer, thans met een eed. Exn weinig later
kwamen er anderen bij, waaronder ook een familielid van Malchus,
die ook zeiden, dat hij bij Jezus behoorde. In zijn angst begon Petrus
toen zich zeiven te vervloeken en te zweren: Ik ken den mensch niet.
Nauwelijks had hij dit gezegd, of er kraaide een haan. Tegelijk
keerde Jezus zich om en zag Petrus aan. Toen werd hij indachtig,
dat de Heer gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij
mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitter-
lijk van diep berouw. — Ondertusschen had het onderzoek van den
Heer reeds een aanvang genomen. Vóórdat de Joodsche Raad samen-
gekomen was, had de hoogepriester Hem over Zijne discipelen en
Zijne leer ondervraagd. Jezus had hierop geantwoord, dat Hij steeds
in het openbaar had geleerd, zoodat niet Hij, maar Zijne hoorders
ondervraagd moesten worden. Een der dienaren vond dit een oneer-
biedig antwoord en gaf den Heer, hoewel Hij daar gebonden stond,
een kinnebakslag. — Tegen den morgen kwam de Joodsche Raad
samen. Zij zochten getuigenis tegen Jezus, op grond waarvan zij
Hem zouden kunnen dooden, maar vonden niet. Wel waren er vele
valsche getuigen, maar zij spraken elkander tegen. Eindelijk traden
er twee personen op , die zeiden, dat zij Hem hadden hooren zeggen:
Ik kan den tempel Gods afbreken en in drie dagen denzelven weder
opbouwen. Zij waren echter ook in hunne getuigenis het niet geheel
met elkander eens. Toen nu de H oogepriester vroeg, wat Jezus daar-
op ter verantwoording te zeggen had, zweeg Hij stil. Hij wenschte
op zulke onwaarheden niet te antwoorden. — Ten einde raad, be-
zwoer Kajafas Hem nu, dat Hij zou zeggen, of Hij de Christus,
de Zoon van God, was. Toen Jezus hierop antwoordde: Ik ben het;
scheurde de Hoogepriester met gehuichelde verontwaardiging zijne
kleederen en zeide: Wat hebben wij nog getuigen van noode. Gij
hebt de godslastering gehoord. Wat dunkt ulieden ? De geheele Raad
veroordeelde Hem daarop ter dood. — Toen begonnen sommigen
Hem te bespotten, te bespuwen en met vuisten te slaan. En ook de
dienaars gaven Hem kinnebakslagen. — Matth. 10 : 32, 33; Zach. 8 :
16, 17; Jes. 53 : 7.--Ps. 40 : 5; Gez. 119 : 5 ; Ps. 5 : 4, 6.