Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
'ób
35. — HET LAATSTE AVONDMAAL.
(Matth. 26 : 17—35; Mare. 14 : 12—31; Luk. 22 : 7—38; Joh. 13—17.)
Den volgenden dag, des Donderdags, tegen den avond, zond
Jezus Petrus en Johannes naar Jeruzalem, om daar in het huis
van een Zijner vrienden den Paaschmaaltijd te bereiden. Hij be-
schreef hun eenen man, dien zij ontmoeten zouden en die hun tot
dat doel eene groote opperzaal zou wijzen. Toen het avond gewor-
den was, kwam de Heer zelf met de andere apostelen van Bethanië. —
Terwijl men zou gaan aanliggen aan den disch, ontstond onder de
apostelen twist over de vraag: wie van hen de meeste was. De
Heer lei nu Zijne kleederen af, nam een linnen doek, goot water
in een bekken en begon de voeten der discipelen te wasschen.
Allen verwonderden zich er over, dat de Heer dit deed, en Petrus
wilde het, toen de beurt aan hem kwam, zelfs niet toelaten. Maar
toen de Heer zeide, dat het moest, omdat hij anders geen deel aan
Hem had, wilde Petrus, dat Jezus ook zijne handen en zijn hoofd
wiesch. Maar dat was niet noodig. Jezus had namelijk met deze voet-
wassching Zijnen discipelen eene ernstige les willen geven. Gelijk
Hij hen diende, zoo moesten ook zij elkander dienen en in nederig-
heid het voorbeeld, dat Hij hun gaf, navolgen. — Daar Jezus wist,
dat Judas met de Joden reeds eene afspraak gemaakt had, om Hem
voor 30 zilverlingen aan hen over te leveren, zeide Hij onverwacht
tot de discipelen, dat een van hen Hem verraden zou. Ontsteld
vroegen zij allen, wie dat zijn mocht. Op de vraag van Johannes,
die naast Jezus aanlag, antwoordde de Heer, dat het die discipel
was, aan wien Hij zoo aanstonds eene bete broods zou geven. Hij
gaf die toen aan Judas met de woorden: Wat gij doen wilt, doe
dat haastelijk. Toen voer de duivel in Judas en terstond ging hij
heen, om zijn boos opzet te volvoeren. De Heer vermaande daarna,
met het oog op Zijn aanstaand sterven, Zijnen discipelen om elk-
ander lief te hebben, gelijk Hij hen liefgehad had. Daarna stelde
Hij voor Zijne discipelen het Avondmaal in. Zij moesten voortaan,
bij het genot van brood en wijn, gedachtenis vieren van Zijn lijden
en sterven. Dat lijden zou zeer zwaar zijn. hierdoor ook, dat in dien
nacht al Zijne discipelen aan Hem geërgerd zouden worden en Petrus
Hem zelfs driemaal verloochenen zou. Dit voorspelde de Heer hun,
maar daar zij op zich zeiven vertrouwden, wilden zij het geen van
allen gelooven. — Hij sprak nu verder nog, op aandoenlijke wijze,
van Zijn heengaan naar het huis Zijns Vaders, waar Hij hun plaats
zou bereiden; van de nauwe gemeenschap tusschen Hem en de Zijnen,
die Hij vergeleek bij een wijnstok met de ranken; en van den Heili-
gen Geest, dien Hij zou zenden om hen in alle waarheid te leiden.
Hij besloot deze gesprekken met htt Hoogeprieslerlijk gebed Qoh. 17),
dat ook voor Zijne discipelen zeer veel vertroostends bevatte. —
Daarna stonden zij allen op, om heen te gaan. — i Joh. 2:6; Jac.
4:7; Joh. 17 : 3.--Avondz. : 5; Gez. 103; Ps. 16 : 6.
3*