Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
34. — JEZUS' LAATSTE BEZOEK AAN DEN TEMPEL.
(Matth. 22 : 23—26 :2; Mare. 12:18—13:37; Luk. 20 :27—21:36; Joh. 12:20—50.)
De strikvragen der farizeên werden aan Jezus gedaan tijdens Zijn
laatste bezoek aan den tempel. Ook met de sadduceön, de ongeloo-
vigen van dien tijd, hield Jezus een gesprek, nl. over de opstanding,
waaraan zij niet geloofden, maar die, volgens den Heer, toch plaats
zou hebben. — Daarna vroeg hem een schriftgeleerde, welk gebod
der wet het voornaamste was. Jezus antwoordde daarop, dat dit
het groote gebod was: Gij zult den Heer uwen God liefhebben met
geheel uw hart en met geheel uwe ziel en met geheel uw verstand;
en: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven. Toen de schriftge-
leerde dit antwoord uitnemend vond en dat zeide, verklaarde Jezus,
dat hij niet verre van het koninkrijk Gods was. — De Heer waar-
schuwde nu de menigte, en vooral Zijne discipelen, voor de fari-
zeên en schriftgeleerden, die er slechts eene uiterlijke godsdienstig-
heid op nahielden en hunne eigene eer en macht zochten. Hij wekte
daarentegen op tot nederigheid en ootmoet. Terwijl hij nu de fari-
zeên bestrafte en Zijn: Wee u ! over hen uitsprak, maakte Hij tevens
het oordeel, dat over Jeruzalem komen zou, bekend. Hij deed dit
met diepen weemoed. Hij had Jeruzalems inwoners zoo gaarne willen
behouden, maar zij hadden niet gewild. Dit smartte den Heer. —
Voordat Jezus nu den tempel verliet, prees Hij nog eene arme
weduwe, die al wat zij had, nl. twee penningen, in de schatkist,
die in den voorhof der vrouwen stond, wierp. Jezus zeide, dat hare
gave meer beteekende en alzoo grooter was dan die der rijken,
omdat dezen van hunnen overvloed gaven, terwijl de vrouw al wat
zij bezat gaf ter eere Gods. — Er waren toen ook eenige Grieken,
die te Jeruzalem gekomen waren om het paaschfeest te vieren.
Dezen gaven aan Filippus hunne begeerte te kennen om Jezus te
zien. Filippus zei het aan Andreas, en met hun beiden zeiden zij
het aan den Heer. Jezus was op dat oogenblik echter geheel ont-
roerd, daar Hij aan Zijn, aanstaand lijden dacht. Hij begeerde daar-
van niet verlost te worden, maar wel wenschte Hij, dat de naam
Zijns Vaders ook daarin verheerlijkt mocht worden. Er kwam toen
eene stem uit den hemel, die Hem zeide, dat deze wensch vervuld
was en ook verder vervuld zou worden. — Kort daarna verliet de
Heer den tempel. Bij het heengaan maakten Zijne discipelen Hem
op de pracht van dit gebouw opmerkzaam. De Heer voorspelde toen
de verwoesting van den tempel, van welken niet één steen op den
anderen gelaten zou worden. Bij den Olijf berg gekomen, maakte Hij
Zijnen discipelen bekend met hetgeen in de toekomst gebeuren zou,
spoorde hen aan tot waakzaamheid en getrouwheid en deelde hun
mede, dat over twee dagen het Pascha was en dat Hij dan gekrui-
sigd zou worden. Daarna ging Hij voor het laatst weer naar Bethanië.
Zijn openbare werkzaamheid was nu geëindigd. — Matth. 23 ; 12;
Joel 2 : 12, 13; Joh. 12 : 26. - Gez. 191 : 3, 4; Ps. 130 : 4; Gez. 77 : 1, 4.