Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
?.2
32. — DE INTOCHT TE JERUZALEM.
(Matth. 21 ; 1 — 17; Mare. II : I — II: Luk. 19 : 29—44; Jolt. 12 : i —19.)
Van Jericho begaf Jezus zich naar Bethanië. Daar werd Hij aan
een maaltijd, ten huize van Simon den melaatsche, door Maria,
de zuster van Lazarus, met kostelijken nardus gezalfd. Toen de
Joden te Jeruzalem hoorden, dat Jezus daar was, kwamen zij in
groote menigte te Bethanië, niet alleen om den Heer, maar ook om
Lazarus te zien, dien Hij uit de dooden opgewekt had. Deze nieuws-
gierigheid was echter een middel om velen te brengen tot het geloot
in Jezus. Dit ergerde den overpriesters, zoodat zij het besluit namen
om ook Lazarus te dooden. — Van Bethanië uit, hield de Heer
den volgenden dag Zijn intocht te Jeruzalem. Dit was des Zondags.
Toen de Heer dicht bij Jeruzalem gekomen was, zond Hij twee
van Zijne discipelen naar een nabijgelegen plaatsje. Daar zouden
zij een ezelin vinden. Deze moesten zij ontbinden en tot Hem bren-
gen. Als iemand hun mocht vragen, waarom zij dat deden, dan
hadden zij slechts te antwoorden: De Heer heeft ze van noode; en
zij zouden daarover niet lastig gevallen worden. De discipelen von-
den het en deden gelijk Jezus gezegd had. Zij legden hunne klee-
deren nu op de jonge ezelin en zetten den Heer daarop. Velen uit
Jeruzalem kwamen Hem te gemoet. Hem ziende, spreidden sommi-
gen hunne opperkleederen uit op den weg, terwijl anderen takken
van de boomen hieuwen en die voor Hem uitstrooiden. Al het volk
juichte toen: Hosanna den Zone Davids ! gezegend is Hij, die komt
in den naam des Heeren; Hij, die is de koning Isracls. De Heer
werd hierdoor openlijk als de Messias erkend. — Dit was den fari-
zeën tot een aanstoot. Meester, bestraf uwe discipelen; zeiden zij.
De Heer echter antwoordde hun: Jk zeg ulieden, dat, zoo dezen
zwijgen, de steeneti haast roepen zulleii. — Jezus wist echter wel,
dat al deze roepers daarom nog niet in Hem geloofden. Hij wist ook,
dat zij spoedig Hem zouden zoeken te kruisigen. Toen Hij dan nabij
de stad gekomen was, begon Hij over haar te weenen. Hij voorspelde
de ellende, die eenmaal over haar komen zou, en toonde Zijne liefde
ook in dit woord: Och, of gij ook bekcndet, ook nog in dezen uwen
dag, hetgeen tol iiwen vrede dient. Immers alleen als men in Jezus
gelooft, heeft men den waren vrede, die ontbreekt aan elk, die
den Heer verwerpt. — Terwijl Jezus zoo, gezeten op de ezelin, onder
het gejuich der menigte. Zijn intocht te Jeruzalem hield, kwam de
geheele stad door dit ongewone schouwspel in opschudding. De Heer
begaf zich terstond naar den tempel, waar hij wederom de wisse-
laars en verkoopers van dieren uitdreef Daar kwamen blinden en
kreupelen tot Hem, die Hij genas, terwijl de kinderen in den tem-
pel riepen: Hosanna den Zone Davids. Ook dit namen de farizeën
zeer kwalijk, maar de Heer wees hun op wat in Ps. 8 : 3 reeds
gezegd was. — Des avonds keerde Hij naar Bethanië terug. —
Jes. 9:15; Zach. 9:9; Joh. 18 : 36.--Gez. 49 : i: Ps. 8 : i, 9; Gez. 45 : i, 2.