Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
31. — TE JERICHO.
M.itth. 20 : 29—34: Marc. 10 : 46—52: Luk. 18 : 35—19 : 10.)
Op weg naar Jeruzalem kwam Jezus ook te Jericho. Hij was
vergezeld van Zijne discipelen en eene groote schare. In de nabij-
heid der stad zat een blindeman, Bar-timéüs genaamd, bedelende
aan den weg. Toen deze bemerkte, dat hem zulk eene menigte
volks voorbij ging, vroeg hij nieuwsgierig, wat dat toch was. Men
zeide hem, dat Jezus de Nazaréner voorbij ging. Nu had Bar-timéüs
zeker zeer veel gehoord van de wonderlijke wijze, waarop Jezus
vele kranken, en daaronder ook blinden, genas. Hij begon daarom
terstond te roepen; Jezus, gij Zo7ie Davids, ontfertn U mijner! Hij
wilde ook gaarne genezen worden. Die voorbij gingen zeiden echter
tot hem, dat hij zwijgen moest. Zijn roepen scheen hun te hinderen.
Hij stoorde zich daaraan evenwel niet, maar riep integendeel nog
des te meer tot Jezus. De Heer, die hem hoorde, stond stil en
beval, dat men Bar-timéüs tot Hem brengen zou. Toen de blinde
bij Hem gekomen was, vroeg Hij hem: Wal wilt gij, dat ik u
doen zal2 Deze antwoordde toen : Ileere, dat ik ziende mag worden.
Uit dit antwoord bleek, dat hij geloofde, dat Jezus hem genezen
kon. De Heer zeide dan ook tot hem: Word ziende; uw geloof
heeft u behotiden. Dat was zoo, want als Bar-timéüs niet geloofd
had, zou hij niet geroepen hebben, maar dan ook niet genezen zijn.
Nu echter werd hij terstond ziende en hij volgde Jezus, God ver-
heerlijkende. Dit alles had ten gevolge , dat ook het volk, dit ziende,
God prees. — Te Jericho had de Heer nog eene andere ontmoeting.
Daar woonde een overste der tollenaren, die Zachéüs heette en zeer
rijk was. Hij had begeerte om Jezus te zien, maar, daar hij zeer
klein was, ging dat niet. Hij liep nu de menigte een eind vooruit
en klom op een wilden vijgeboom. Van die hoogte af zou hij Jezus
kunnen zien en dan zou zijn wensch vervuld zijn. Toen de Heer
daar voorbij ging, zag Hij omhoog en zag Hij Zachéüs. Jezus zeide,
dat hij spoedig uit dien boom moest komen, want dat Hij met hem
naar zijn huis wenschte te gaan. Zoo kreeg Zachéüs dus meer dan
hij had durven wenschen. Hij ontving den Heer dan ook.met blijd-
schap. Het volk was echter verontwaardigd. Het zeide: Hij is tot
een zondigen mensch ingegaan om te herbergen. Men had namelijk
van de tollenaren, die ambtenaren der Romeinen waren en de Joden
wel eens oneerlijk behandelden, een afkeer. Zachéüs wilde zich
echter verder aan geene oneerlijkheid meer schuldig maken. Inte-
gendeel; hij zeide tot Jezus: Zie, de helft van mijne goederen,
Ileere, geef ik den armen, eti indien ik iemand iets door bedrog
ontvreetnd heb, dat geef ik vierdubbel weder. De Joden deden
dan ook zeer verkeerd, toen zij deze daad van Jezus afkeurden,
want — zeide de Heer — de Zoon des menschen is gekomen, om
te zoeken en zalig te maken, dat verloren was. — CoL 4:2: Efez.
3 : 20, 21; Luk. 19 : 10.--Ps. 142 : i, 2; Gez. 39 : 3; Ps. 43 : 5.